ECLI:NL:CRVB:2018:1434
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet-medewerking huisbezoek
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een adres waar medewerkers een huisbezoek probeerden af te leggen. Na niet te zijn verschenen op een gesprek en het niet overleggen van gevraagde bankafschriften, werd de bijstand opgeschort en vervolgens ingetrokken. Appellant diende een nieuwe aanvraag in, maar weigerde medewerking aan een onaangekondigd huisbezoek, waarna de aanvraag werd afgewezen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, vierde lid, van de Participatiewet, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de gevraagde gegevens had verstrekt zonder dat hem daarvan een verwijt kon ontbreken.
Daarnaast was er een redelijke grond voor het huisbezoek, gelet op concrete feiten en omstandigheden die twijfel opriepen over de juistheid van de verstrekte gegevens. De weigering van het huisbezoek maakte het onmogelijk het recht op bijstand vast te stellen. De Raad verwierp de bezwaren van appellant en bevestigde de eerdere uitspraak, zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en de afwijzing van de bijstandsaanvraag worden bevestigd wegens niet-medewerking en weigering huisbezoek.