ECLI:NL:CRVB:2019:3399
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging opschorting en intrekking bijstandsuitkering wegens niet tijdig overleggen bankafschriften
De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam om de bijstand van appellante op te schorten en in te trekken wegens het niet tijdig overleggen van gevraagde bankafschriften en een opheffingsbewijs van haar bankrekening.
Het college baseerde het besluit op het feit dat appellante niet binnen de gestelde termijn van zes dagen de gevraagde documenten had ingediend. Appellante voerde aan dat de termijn onredelijk kort was en dat zij slechts één netto dag had om de documenten op te vragen, mede omdat de Rabobank op Hemelvaartsdag gesloten was. Ook stelde zij dat zij afhankelijk was van de Rabobank en tijdig contact had opgenomen.
De Raad oordeelde dat de termijn van zes dagen niet onredelijk kort was, mede omdat de Rabobank niet op alle dagen gesloten was en appellante de mogelijkheid had om om verlenging te vragen, wat zij naliet. Ook was de hersteltermijn niet onredelijk kort, en appellante kon geen verwijt worden gemaakt voor de vertraging bij de Rabobank. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot opschorting en intrekking van de bijstand wordt bevestigd.