ECLI:NL:CRVB:2016:135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Ontslag wegens verstoorde arbeidsverhouding met toekenning aanvullende uitkering en compensatie
Appellant was sinds 1973 werkzaam bij de gemeente Amsterdam en werd ontslagen wegens een verstoorde arbeidsverhouding met zijn leidinggevenden en collega’s, waardoor voortzetting van het dienstverband niet langer mogelijk was. Het college verleende het ontslag op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA en weigerde aanvankelijk een aanvullende en na-wettelijke uitkering toe te kennen.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het college bevoegd was tot ontslag vanwege de impasse en het ontbreken van uitzicht op vruchtbare samenwerking. Wel komt het college terug op haar eerdere standpunt en kent alsnog een aanvullende uitkering toe. Daarnaast wordt vastgesteld dat appellant recht heeft op een na-wettelijke uitkering omdat het ontslag in de werksfeer lag en niet grotendeels aan appellant te wijten was.
Verder concludeert de Raad dat het college een overwegend aandeel had (tussen 65 en 80%) in het ontstaan en voortbestaan van de situatie die tot het ontslag leidde. Daarom moet appellant ook een compensatie worden toegekend volgens de formule uit eerdere jurisprudentie met een factor 0,75. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak en het bestreden besluit voor zover het weigeren van deze uitkeringen betreft en veroordeelt het college in de proceskosten.
Uitkomst: Appellant krijgt een aanvullende en na-wettelijke uitkering en een compensatie toegekend wegens ontslag op grond van een verstoorde arbeidsverhouding waarbij het college een overwegend aandeel had.