ECLI:NL:CRVB:2015:3347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAZ-uitkering wegens anticumulatie en vastgoedfraude
Appellant ontving een WAZ-uitkering die door het UWV werd ingetrokken en teruggevorderd vanwege werkzaamheden als zelfstandig ondernemer en de mate van arbeidsongeschiktheid die op basis van inkomsten werd vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellant voerde aan dat de inkomsten niet als algemeen geaccepteerde arbeid konden worden aangemerkt omdat deze uit strafbare feiten voortkwamen, en dat anticumulatie van deze inkomsten niet toegestaan zou zijn.
De Raad overwoog dat volgens artikel 58 van Pro de WAZ na drie jaar anticumulatie de arbeid als algemeen geaccepteerde arbeid wordt aangemerkt, ongeacht of de inkomsten uit onwettige activiteiten stammen. De nieuwe beroepsgrond van appellant over de fiscale winst na vennootschapsbelasting kon niet worden meegenomen omdat deze te laat en ingrijpend was en niet eerder ingebracht was, wat strijdig is met de goede procesorde.
De Raad bevestigde de intrekking van de WAZ-uitkering met ingang van 1 januari 2008 en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak benadrukt dat de fiscale en juridische fictie van algemeen geaccepteerde arbeid ook geldt bij inkomsten uit strafbare activiteiten, en dat anticumulatie op deze inkomsten geoorloofd is.
Uitkomst: De intrekking van de WAZ-uitkering per 1 januari 2008 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.