ECLI:NL:CRVB:2020:3177
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAZ-uitkering na vijf jaar algemeen geaccepteerde arbeid
Appellant was sinds november 2001 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAZ-uitkering. Na medische en arbeidskundige beoordelingen werd vastgesteld dat hij vanaf 21 december 2006 arbeid verrichtte die als algemeen geaccepteerde arbeid kon worden aangemerkt, waardoor zijn arbeidsongeschiktheid afnam. Vanaf 1 maart 2008 ontving appellant geen uitkering meer omdat zijn inkomsten een arbeidsongeschiktheid van minder dan 25% aangaven.
Het UWV beëindigde de WAZ-uitkering met terugwerkende kracht per 1 maart 2012, na het verstrijken van de vijfjaarstermijn zoals bedoeld in artikel 58 van Pro de WAZ. Appellant betwistte deze beëindiging, mede omdat hij in 2016 opnieuw een uitkering ontving na melding van geen inkomsten, en verwees naar een medisch onderzoek dat zijn arbeidsongeschiktheid bevestigde.
De Raad oordeelde dat het UWV de wet correct heeft toegepast. De fictie van algemeen geaccepteerde arbeid na vijf jaar werkzaamheden is van toepassing, waardoor de uitkering terecht is beëindigd. De terugwerkende kracht van het besluit is niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, aangezien appellant vanaf maart 2008 geen uitkering ontving. De tijdelijke uitbetaling in 2016 was een vergissing die door appellant is terugbetaald.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland werd bevestigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de WAZ-uitkering terecht beëindigde per 1 maart 2012.