ECLI:NL:CRVB:2014:937
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.C. Bruning
- R.E. Bakker
- K. Wentholt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WGA-vervolguitkering en geschil over passende functies
Betrokkene kreeg aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, die later werd omgezet in een WGA-vervolguitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%. De rechtbank Amsterdam vernietigde het besluit van het UWV en oordeelde dat de arbeidskundige grondslag onvoldoende was, met name omdat de functie van textielproductenmaker niet aan de schatting ten grondslag kon worden gelegd.
In hoger beroep betoogde het UWV dat deze functie wel degelijk was meegenomen en dat deze al sinds februari 2008 bekend was bij betrokkene. Betrokkene stelde dat zijn medische beperkingen, vooral rug- en nekklachten, onvoldoende waren meegenomen en dat een deskundige benoeming ontbrak. De Raad volgde de rechtbank niet in het oordeel over de functie textielproductenmaker en bevestigde dat de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts juist was.
De Raad oordeelde dat de functie machinaal metaalbewerker passend was en dat de wijziging in functies geen verlaging van de arbeidsongeschiktheidsklasse tot gevolg had. Het hoger beroep van het UWV werd gegrond verklaard, dat van betrokkene afgewezen. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond, waarbij de WGA-vervolguitkering en de gehanteerde functies worden bevestigd.