ECLI:NL:CRVB:2006:AY2985
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt niet-ontvankelijkverklaring en bevestigt zorgvuldigheid bij intrekking WAO-uitkering
Betrokkene, geboren in 1950, ontving sinds 1988 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na medisch onderzoek in Marokko en Nederland achtte het UWV hem per 1 maart 2000 minder dan 15% arbeidsongeschikt en trok de uitkering in. Betrokkene maakte bezwaar en het UWV verklaarde het bezwaar gegrond, maar beëindigde de voorschotverstrekking per 1 oktober 2000. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang, omdat betrokkene later een definitieve WAO-uitkering toegekend kreeg.
De Centrale Raad vernietigt deze niet-ontvankelijkverklaring, oordeelt dat betrokkene wel belang heeft bij een inhoudelijke toetsing van het schorsingsbesluit en verklaart het beroep tegen het schorsingsbesluit ongegrond. De Raad bevestigt dat het UWV het schorsingsbesluit terecht kon baseren op het vermoeden dat het recht op uitkering niet langer bestond, gelet op medische en arbeidskundige gegevens.
Verder oordeelt de Raad dat de rechtbank terecht vond dat het UWV zorgvuldigheid in acht moest nemen bij de aanzegging van de intrekking. De uitlooptermijn van zes maanden vangt aan zeven dagen na de aanzegging op 19 september 2000, niet na de eerdere brief aan de gemachtigde. De Raad constateert een schending van de redelijke termijn door de bestuursrechter en wijst betrokkene op de mogelijkheid tot schadevordering bij de burgerlijke rechter. Het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht wordt aan betrokkene vergoed.
Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het schorsingsbesluit wordt vernietigd en het beroep ongegrond verklaard; de zorgvuldigheid bij intrekking en uitlooptermijn worden bevestigd.