Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2014:3327

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 oktober 2014
Publicatiedatum
14 oktober 2014
Zaaknummer
13-3100 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening maatregelbesluiten WWB wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden

Appellant ontvangt sinds 1996 bijstand en kreeg meerdere keren een maatregel van 100% verlaging van de bijstand opgelegd wegens weigering algemeen geaccepteerde arbeid bij Roteb. Na een eerdere herziening van een besluit uit 2009 naar een lagere maatregel, verzocht appellant om herziening van alle soortgelijke besluiten uit 2006-2011. Het college wees dit verzoek af op grond van artikel 4:6 Awb Pro, omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangedragen.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden en dat het college met het eerdere besluit de onrechtmatigheid erkende, waardoor ook de andere besluiten herzien moesten worden. De Raad verwierp deze gronden, stellende dat jurisprudentie geen nieuw feit of omstandigheid is en dat kennelijke onjuistheid van een besluit op zichzelf geen reden is voor herziening.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep faalt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2014.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van eerdere maatregelbesluiten wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

13.3100 WWB

Datum uitspraak: 14 oktober 2014
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 mei 2013, 12/4832 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.A. Soebhag, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 september 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Soebhag. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. H.H. Nicolai.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontvangt sinds 1 augustus 1996 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 26 februari 2009, gehandhaafd bij besluit van 14 augustus 2009, heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 april 2009 verlaagd met 100% gedurende één maand, op de grond dat appellant heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid bij Roteb te aanvaarden. In de periode van 2006 tot en met 2011 had het college appellant al veertien keer en steeds op dezelfde grond een maatregel van 100% opgelegd. De betreffende besluiten zijn onherroepelijk geworden.
1.2.
Appellant is van het besluit van 14 augustus 2009 in beroep gekomen. Hangende dat beroep heeft het college, in navolging van de uitspraak van de Raad van 6 september 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR7098), waarin de Raad heeft geoordeeld dat het baanaanbod bij Roteb als een voorziening gericht op arbeidsinschakeling moet worden aangemerkt, bij besluit van 13 februari 2012 het besluit van 14 augustus 2009 gewijzigd en de opgelegde maatregel verlaagd naar 20% gedurende één maand.
1.3.
Bij brief van 6 juni 2012 heeft appellant het college verzocht om ook de overige in de periode van 2006 tot en met 2011 genomen maatregelbesluiten te herzien.
1.4.
Bij besluit van 20 juni 2012 heeft het college het verzoek om herziening met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afgewezen.
1.5.
Bij besluit van 12 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 20 juni 2012 ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant heeft ter ondersteuning van zijn verzoek om herziening aangevoerd dat het college gelijke gevallen op gelijke wijze dient te behandelen. Na de herziening van het besluit van 14 augustus 2009 mocht appellant er daarom op vertrouwen dat het college de overige maatregelbesluiten op dezelfde gronden zou herzien, omdat zij identiek zijn aan het besluit van 14 augustus 2009. Deze beroepsgrond faalt.
4.2.
Het verzoek van appellant strekt ertoe dat het college terugkomt van de in 1.3 bedoelde besluiten. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 21 oktober 2003, LJN AM3202) is op zo’n verzoek artikel 4:6 van Pro de Awb van overeenkomstige toepassing. Dit betekent dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren moet brengen. Wanneer de aanvrager dat niet doet, kan een bestuursorgaan het verzoek afwijzen met verwijzing naar zijn eerdere besluit. Ook als zonder meer duidelijk is dat wat bij het verzoek is aangevoerd niet van belang kan zijn voor het eerdere besluit, mag een bestuursorgaan het verzoek op deze manier afwijzen. Onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.
4.3.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid betreft als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. Dit geldt ook voor de in 1.2 genoemde uitspraak. Het college mocht het verzoek van appellant dan ook afwijzen met verwijzing naar de in 1.3 bedoelde besluiten. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen bijzondere omstandigheden gelegen die het college in het onderhavige geval aanleiding hadden moeten geven tot een andere beslissing te komen.
4.4.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat het college met het besluit van 13 februari 2012 heeft erkend dat het besluit van 14 augustus 2009 onrechtmatig is. Hieruit volgt volgens appellant dat de besluiten waarvan appellant herziening vraagt eveneens onrechtmatig zijn en om die reden voor herziening in aanmerking komen. Ook deze beroepsgrond faalt.
4.5.
Naar vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 4 december 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AN9805) speelt de evidente of kennelijke onjuistheid van het oorspronkelijke besluit op zichzelf in het kader van de vraag of een bestuursorgaan van een eerder genomen besluit dient terug te komen geen beslissende rol. Hetgeen appellant heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2014.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) J.T.P. Pot

HD