ECLI:NL:CRVB:2003:AM3202

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00/3836 NABW, 00/3837 NABW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.M.A. van der Kolk-Severijns
  • Ch. de Vrey
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek tot herziening bijstandsbesluit zonder nieuwe feiten of omstandigheden

Appellanten hebben bijstand ontvangen die definitief werd vastgesteld op een bedrag van f 15.273,51, met een terugvordering van f 10.291,33 als geldlening. Zij maakten geen bezwaar tegen het besluit van 25 mei 1998, maar verzochten later alsnog heroverweging. Dit verzoek was gericht op terugkomen van een onherroepelijk besluit zonder dat nieuwe feiten of veranderde omstandigheden werden aangevoerd.

De gemeente handhaafde het oorspronkelijke besluit en verklaarde de bezwaren ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten eveneens ongegrond. Appellanten gingen hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

De Raad overwoog dat op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een verzoek tot herziening van een eerder genomen besluit nieuwe feiten of veranderde omstandigheden moeten worden vermeld. Bij het ontbreken daarvan mag het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen. De Raad oordeelde dat de gemeente bevoegd was het verzoek af te wijzen en dat zij daarbij niet in strijd handelde met rechtsregels of algemene rechtsbeginselen.

De Raad bevestigde het bestreden vonnis en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 21 oktober 2003.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening van het bijstandsbesluit wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

00/3836 NABW
00/3837 NABW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant] en [appellante], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellanten hebben op de bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Groningen op 21 juni 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 29 juli 2003, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft aan appellanten over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen verleend, voorlopig in de vorm van een geldlening.
Bij besluit van 25 mei 1998 heeft gedaagde de hoogte van de bijstand om niet definitief vastgesteld op een bedrag van
f 15.273,51. Tevens is bij dat besluit de in de vorm van een geldlening gehandhaafde bijstand ten bedrage van f 10.291,33 van appellanten teruggevorderd.
Appellanten hebben tegen het besluit van 25 mei 1998 geen bezwaar gemaakt maar bij brief van 9 oktober 1998 aan gedaagde verzocht zich nog eens over het besluit van 25 mei 1998 te willen buigen.
Bij twee gelijkluidende, aan elk van appellanten gerichte besluiten van 20 oktober 1998 heeft gedaagde appellanten doen weten dat het besluit van 25 mei 1998 onverkort gehandhaafd blijft.
Bij twee op 4 maart 1999 genomen besluiten heeft gedaagde - voorzover van belang - de bezwaren tegen de besluiten van 20 oktober 1998 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak van 21 juni 2000, zoals gerectificeerd bij brief van 29 juni 2000, is het beroep tegen de besluiten van 4 maart 1999 ongegrond verklaard.
Appellanten kunnen zich met die uitspraak niet verenigen.
De Raad heeft het volgende overwogen.
Het thans aan de orde zijnde verzoek van appellanten strekt ertoe dat gedaagde terugkomt van zijn eerdere besluit van
25 mei 1998, welk besluit in rechte onaantastbaar is geworden omdat appellanten daartegen geen bezwaar hebben gemaakt.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.
Bij hun verzoek hebben appellanten aangevoerd dat zij de hun verleende bijstand hebben aangewend voor het aflossen van schulden en dat het negatieve bedrijfsresultaat daardoor alleen maar is opgelopen. Daarbij gaat het niet om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin maar om een argument dat in bezwaar tegen het besluit van
25 mei 1998 naar voren had kunnen worden gebracht.
Gedaagde was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 25 mei 1998. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voorzover aangevochten.
Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt aan de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2003.
(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns
(get.) P.C. de Wit