Verzoeker heeft een procedure gevoerd tegen het Zorginstituut en de Staat over de bijdrageplichtigheid, waarbij de gehele procedure ruim zes jaar en tien maanden heeft geduurd. De Raad heeft vastgesteld dat de tijd die gemoeid was met het afwachten van prejudiciële beslissingen van het Hof van Justitie buiten beschouwing kan worden gelaten bij de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn.
De behandeling door het Zorginstituut duurde ruim zeven maanden, wat de Raad te lang achtte, en de rechterlijke behandeling duurde ruim zes jaar en drie maanden, waarvan een deel buiten beschouwing werd gelaten wegens prejudiciële procedures. De Raad concludeerde dat zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase de redelijke termijn is overschreden.
De Raad veroordeelde de Staat en het Zorginstituut ieder tot betaling van €250 aan verzoeker wegens immateriële schade door de overschrijding. Proceskosten werden niet toegewezen. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige behandeling en de toepassing van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM) in bestuursrechtelijke procedures.