ECLI:NL:CRVB:2014:3097
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep inzake omvang huishoudelijke hulp over afgesloten periode
Appellante maakte bezwaar tegen de omvang van de toegekende hulp bij het huishouden over de periode van 14 augustus 2009 tot en met 14 maart 2010. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht verklaarde het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigde dit. In hoger beroep betwistte appellante de verlaging van de hulp, met name de inschatting van de inzet van haar zoon voor huishoudelijke taken.
De Raad stelde ambtshalve de vraag naar het procesbelang vast, waarbij werd geoordeeld dat dit ontbreekt omdat het besluit betrekking heeft op een afgesloten periode. Terugwerkende kracht voor toekenning van huishoudelijke hulp is niet mogelijk en er is geen schade aangetoond door zelf betaalde hulp. Tevens is geen relevant toekomstig belang vastgesteld, aangezien latere aanvragen en beoordelingen losstaan van dit besluit.
Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Appellante verzocht ook om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad constateerde dat de totale procedure langer dan vier jaar duurde, wat vermoedelijk een termijnoverschrijding inhoudt. Het verzoek om schadevergoeding wordt nader onderzocht en de Staat der Nederlanden als partij betrokken.
Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter J. Brand, in aanwezigheid van griffier G.J. van Gendt, op 27 augustus 2014.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang; het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn wordt nader onderzocht.