ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2297
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor geneesmiddelenkosten wegens voorliggende voorziening Zorgverzekeringswet
Appellante, een alleenstaande ouder met algemene bijstand, verzocht bijzondere bijstand voor geneesmiddelenkosten nadat haar aanvullende verzekering bij OHRA wegens premieachterstand was beëindigd. Het college wees de aanvraag af op grond van artikel 15 van Pro de WWB, stellende dat de Zorgverzekeringswet (ZVW) een toereikende en passende voorliggende voorziening is.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad overwoog dat de ZVW een bewuste keuze bevat over vergoeding van geneesmiddelenkosten, waardoor bijzondere bijstand in beginsel wordt uitgesloten. Het college voert een buitenwettelijk begunstigend beleid dat bijzondere bijstand alleen verleent bij medische noodzaak en geen vergoeding via ZVW of hoogste klasse aanvullende verzekering, ongeacht daadwerkelijke verzekering.
Hoewel appellante betoogde dat het college tekortschiet in het betalen van haar premie, oordeelde de Raad dat dit geen bijzondere omstandigheid vormt om af te wijken van het beleid. Er zijn geen zeer dringende redenen voor bijzondere bijstand. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en de aanvraag afgewezen.
Uitkomst: De aanvraag bijzondere bijstand voor geneesmiddelenkosten wordt afgewezen omdat de Zorgverzekeringswet als toereikende voorliggende voorziening geldt.