ECLI:NL:CRVB:2012:BY3169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen vergoeding immateriële schade na weigering maatschappelijke opvang en gezagskwesties
Appellante, een Nigeriaanse vrouw die sinds 1995 in Amsterdam woont, werd in 2006 gedetineerd waarna haar kinderen in een pleeggezin werden geplaatst en Bureau Jeugdzorg tijdelijk gezag kreeg. Na haar detentie en vreemdelingenbewaring keerde zij terug zonder eigen woning of inkomsten, en met beperkt contact met haar kinderen.
Zij vroeg om maatschappelijke opvang op grond van de WMO, maar haar aanvraag werd geweigerd vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus. De rechtbank verklaarde het besluit onrechtmatig, maar wees het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat geen ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM Pro was vastgesteld. De Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere uitspraken waarin werd geoordeeld dat het beperkte gezinsleven en contact met de kinderen geen schending van het EVRM opleveren.
De Raad benadrukt dat de scheiding van appellante en haar kinderen voortkomt uit haar detentie en het ontbreken van adequate opvangmogelijkheden, waarvoor het college niet aansprakelijk is. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd, zonder veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de vergoeding van immateriële schade wordt geweigerd.