ECLI:NL:CRVB:2017:2270
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging immateriële schadevergoeding na onrechtmatig UWV-besluit WIA-uitkering
Appellant had bezwaar gemaakt tegen een UWV-besluit van 6 mei 2014 waarin zijn aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen. De rechtbank verklaarde dit bezwaar gegrond, vernietigde het besluit en kende appellant een immateriële schadevergoeding van €750 toe wegens de onrechtmatige besluitvorming. Appellant stelde hoger beroep in tegen de hoogte van deze vergoeding en vorderde €7.500.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rechtbank voldoende inzichtelijk had gemaakt op welke feiten en omstandigheden de vergoeding was gebaseerd, waaronder een opname van appellant op een psychiatrische afdeling gedurende een week. De Raad achtte het bewijs onvoldoende voor een hogere vergoeding, mede omdat de psychische toestand van appellant ten tijde van de opname verbeterde en de verdere gevolgen niet rechtstreeks aan het onrechtmatige besluit konden worden toegerekend.
De Raad verwees naar vaste rechtspraak dat aansluiting moet worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht en dat immateriële schadevergoeding alleen toekomt bij ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer. De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij ook geen proceskosten werden toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van €750 immateriële schadevergoeding en wijst het hoger beroep af.