ECLI:NL:CRVB:2013:BY9660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand en afwijzing immateriële schadevergoeding wegens gezinshereniging
De moeder van appellanten verloor haar legale verblijfsstatus en werd gedetineerd, waarna de minderjarige kinderen in een pleeggezin werden geplaatst met tijdelijke voogdij door Bureau Jeugdzorg. Na beëindiging van de uithuisplaatsing in november 2009 keerde het gezin terug bij elkaar en verstrekte het college een bijstanduitkering.
Appellanten vroegen bijzondere bijstand aan voor de periode voorafgaand aan de hereniging, welke door het college werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat appellanten geen zelfstandig recht op bijstand hadden en dat er geen zeer dringende redenen waren om hiervan af te wijken. Tevens werd het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens schending van artikel 8 EVRM Pro afgewezen.
In hoger beroep stelde appellanten dat de afwijzing onrechtmatig was en dat het niet verstrekken van bijstand hun gezinsleven had belemmerd. De Raad overwoog dat immateriële schadevergoeding alleen toewijsbaar is indien de schade aan het bestuursorgaan kan worden toegerekend. De Raad concludeerde dat onvoldoende was onderbouwd dat het college aansprakelijk was voor de scheiding en dat de uithuisplaatsing ook andere gronden had dan het ontbreken van inkomen en huisvesting.
De klacht bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens was niet-ontvankelijk verklaard. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van bijzondere bijstand en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt bevestigd.