ECLI:NL:CRVB:2011:BU8612
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J.M. Heijs
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en terugvordering
Appellant ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande, maar meldde dat hij met [B.] en hun zoon een gezamenlijke huishouding voerde vanaf 6 januari 2009. Het College trok daarop de bijstand in en vorderde teveel betaalde bijstand terug. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, maar baseerde haar oordeel deels op een grondslag die het College niet aan het besluit ten grondslag had gelegd.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellant geen nieuwe aanvraag voor bijstand naar de gehuwdennorm had ingediend ondanks mededeling van het College. De intrekking van de bijstand en terugvordering waren daarom terecht. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover deze was gebaseerd op een onjuiste grondslag en verklaarde de beroepen tegen de besluiten van het College ongegrond.
Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Het College werd veroordeeld in de kosten van appellant en moest het betaalde griffierecht vergoeden. De uitspraak benadrukt dat het College niet ambtshalve de bijstandsnorm hoeft om te zetten en dat melding van gezamenlijke huishouding niet gelijkstaat aan een nieuwe aanvraag.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering door het College zijn terecht verklaard; de beroepen zijn ongegrond.