ECLI:NL:CRVB:2009:BK5140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- A.T. de Kwaasteniet
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering geschiktheid functies
Appellante was arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering die het UWV op grond van een beoordeling van haar beperkingen introk. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar appellante stelde in hoger beroep dat haar beperkingen waren onderschat en dat de geschiktheid van de geduide functies onvoldoende was gemotiveerd, met name vanwege verborgen beperkingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De Raad oordeelde dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen adequaat had weergegeven en dat het CBBS-systeem als ondersteunend systeem voldoet aan de eisen van transparantie en toetsbaarheid. De Raad stelde vast dat de toelichtingen met de term “maximaal” geen verborgen beperkingen zijn en dat het systeem overschrijdingen van normaalwaarden signaleert, zodat de arbeidsdeskundige de geschiktheid kan beoordelen en motiveren.
Hoewel het UWV het besluit tot intrekking op goede gronden baseerde, vond de Raad dat pas in hoger beroep voldoende inzichtelijk was gemaakt dat de functies op alle aspecten geschikt zijn. Daarom vernietigde de Raad de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering is gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met in stand blijvende rechtsgevolgen.