ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8372
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van verlaging bijstandsuitkering wegens eigen toedoen bij verlies arbeid
Appellant, voormalig werknemer van de gemeente Rotterdam, werd op 20 januari 2006 disciplinair ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Na afwijzing van zijn aanvraag voor een werkloosheidsuitkering per 17 januari 2006, vroeg hij op 4 april 2006 bijstand aan. Het College kende bijstand toe vanaf die datum en legde een verlaging op vanwege het eigen toedoen van appellant bij het verlies van zijn arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de bijstand niet met terugwerkende kracht vanaf 17 januari 2006 kan worden toegekend, omdat voor elke uitkering een aparte aanvraag vereist is en appellant zich pas op 4 april 2006 bij het CWI meldde.
Verder stelt de Raad vast dat appellant door eigen toedoen zijn arbeid is kwijtgeraakt, wat een wettelijke grond vormt voor verlaging van de bijstand. Het disciplinaire ontslag is in eerdere uitspraken bevestigd en er zijn geen dringende redenen om de maatregel te matigen. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de aangevallen uitspraak volledig.
Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.