ECLI:NL:CRVB:2008:BC3086
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- R.C. Stam
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van restverdiencapaciteit bij WAO-uitkering zonder rekening te houden met regionale inkomensverschillen
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering in te trekken op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Zij stelde dat het UWV ten onrechte geen rekening hield met regionale inkomensverschillen en dat het gebruik van inkomen als selectiecriterium bij het zoeken naar geschikte functies onjuist was. Daarnaast werd betoogd dat het UWV uitging van te hoge loongegevens.
De Raad overwoog dat het CBBS-systeem, dat het UWV gebruikt voor het bepalen van de restverdiencapaciteit, in eerdere uitspraken als rechtens aanvaardbaar is beoordeeld. Er waren geen concrete gegevens overgelegd die de juistheid van de loonwaarden in het systeem betwistten. Ook werd aangenomen dat de loongegevens regionaal gespreid zijn en gebaseerd op CAO’s, waardoor het bezwaar van appellante niet slaagt.
Hoewel het hoger beroep niet slaagt, vernietigde de Raad het bestreden besluit omdat het pas in hoger beroep van een toereikende onderbouwing was voorzien, wat strijdig is met het motiveringsbeginsel van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.