ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit terugvordering bijstandsuitkering wegens onduidelijkheid vermogensbestanddelen
Appellante ontving bijstand na haar echtscheiding en kreeg in 2004 een erfdeel van haar overleden broer. Het College vorderde op grond van de WWB terugbetaling van bijstand over een periode waarin zij later over dit erfdeel beschikte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over de omvang van het vermogen op de peildatum, waardoor niet kan worden vastgesteld of de vermogensgrens werd overschreden.
De Raad stelt dat het College het besluit tot terugvordering heeft genomen in strijd met het motiveringsbeginsel (artikel 3:2 Awb Pro) en dat het eerdere onjuiste besluit omtrent de erfenis van de vader van appellante geen rechtvaardiging biedt voor het huidige besluit. Tevens wijst de Raad op beleidsregels die terugvordering beperken tot kosten gemaakt binnen twee jaar voor het besluit.
De Raad vernietigt het besluit van 16 juli 2004 en de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat het College een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarnaast veroordeelt de Raad het College in de proceskosten en wijst griffierecht toe aan appellante.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd en het College dient een nieuw besluit te nemen.