ECLI:NL:CRVB:2010:BM6290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstandsuitkering na ontvangst erfenis en vermogensvaststelling
Appellante ontving een erfdeel van haar overleden broer en meldde dit aan het College. Het College vorderde vervolgens een bedrag terug aan bijstand, waarbij de vermogensvaststelling en de schuld aan ouders niet correct waren verwerkt. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond wegens onbevoegdheid van het bestuursorgaan, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het College bevoegd was tot terugvordering, maar dat het teruggevorderde bedrag te hoog was omdat niet juist rekening was gehouden met de schuld aan de ouders en het vrij te laten vermogen. De Raad stelt vast dat de schuld aan ouders reëel is en moet worden betrokken bij de vermogensvaststelling.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de Bestuurscommissie bevoegd is tot terugvordering van een lager bedrag van € 5.188,11. Tevens veroordeelt de Raad de Bestuurscommissie tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd en de terugvordering beperkt tot € 5.188,11.