ECLI:NL:CRVB:2015:1491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand in de vorm van geldlening na verkoop nalatenschap
Appellante vroeg bijstand aan na het overlijden van haar moeder, waarbij zij erfgenaam was van een woning die te koop stond. Het dagelijks bestuur kende bijstand toe in de vorm van een geldlening, omdat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat appellante op korte termijn over voldoende middelen zou beschikken.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit tot bijstand in de vorm van geldlening en de terugvordering van de bijstandskosten ongegrond. Appellante voerde onder meer aan dat het dagelijks bestuur ten onrechte aannam dat zij spoedig over voldoende middelen zou beschikken en dat de terugvordering niet gegrond was.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het dagelijks bestuur terecht uitging van de verwachte verkoop van de woning en de overwaarde, en dat de aanspraak op het erfdeel al bij het overlijden was ontstaan. De terugvordering van de bijstandskosten was daarom bevoegd, ongeacht de vorm van de bijstand.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees een veroordeling in proceskosten af. De bijstand was terecht verleend en de terugvordering was gegrond, mede gezien het aanvullend karakter van de bijstand en de wettelijke bepalingen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstandskosten en verklaart het hoger beroep ongegrond.