ECLI:NL:CRVB:2006:AY9940
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- Th.C. van Sloten
- T.L. de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering aan kinderen zonder rechtmatig verblijf in Nederland
Appellanten, kinderen van een gezin met de Azerbeidzjaanse nationaliteit afkomstig uit Nagorny Karabach, verbleven sinds 1999 onrechtmatig in Nederland nadat hun asielaanvragen waren afgewezen. Zij vroegen bijstand aan, welke door de Intergemeentelijke Sociale Dienst Zuidwest-Fryslân (ISD) werd afgewezen op grond van artikel 11 en Pro 16 lid 2 van de Wet werk en bijstand (WWB).
Appellanten voerden aan dat het verstrekken van bijstand aan kinderen volgens artikel 27 van Pro het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) noodzakelijk is en dat het koppelingsbeginsel onevenredig is in hun situatie, omdat terugkeer naar het land van herkomst feitelijk onmogelijk is. De Raad overwoog dat artikel 27 IVRK Pro niet rechtstreeks bindend is en dat het koppelingsbeginsel een geoorloofd middel is om het vreemdelingenbeleid te handhaven.
De Raad stelde vast dat het gezin bewust heeft afgezien van terugkeer via de daarvoor bestemde procedures en dat het verstrekken van bijstand de terugkeer zou kunnen belemmeren. Daarom is de afwijzing van de bijstandsaanvraag terecht en wordt het beroep ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak van de voorzieningenrechter wordt bevestigd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van de kinderen zonder rechtmatig verblijf wordt afgewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard.