ECLI:NL:PHR:2010:BI9729
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitsluiting kinderbijslag voor vreemdeling zonder toereikende verblijfstitel, maar oordeelt discriminatie zelfstandige ondernemer onterecht
Belanghebbende, een vreemdeling met Russische nationaliteit, vroeg kinderbijslag aan voor zijn in Nederland geboren dochter. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) wees dit af omdat hij niet verzekerd was ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW). Zowel de Rechtbank als de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevestigden deze afwijzing, stellende dat belanghebbende niet rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en geen arbeid in dienstbetrekking verrichtte zoals vereist.
Belanghebbende voerde aan dat hij als zelfstandig ondernemer wel degelijk premies betaalde en dat het onderscheid tussen zelfstandigen en werknemers onredelijk was, mede gelet op internationale verdragen zoals het IVRK, IVBPR en EVRM. De Hoge Raad bevestigde dat het recht op kinderbijslag toekomt aan de verzekerde ouder en niet aan het kind zelf, en dat de uitsluiting van vreemdelingen zonder toereikende verblijfstitel gerechtvaardigd is binnen het koppelingsbeginsel.
Echter oordeelde de Hoge Raad dat het onderscheid in artikel 11 van Pro het KB 746 tussen zelfstandigen en werknemers zonder objectieve en redelijke rechtvaardiging is gemaakt, en dat zelfstandige vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven en premies betalen, niet zonder meer van de verzekeringsplicht mogen worden uitgesloten. De Hoge Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde eerdere uitspraken en kende kinderbijslag toe vanaf het derde kwartaal van 2005.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard en kinderbijslag wordt toegekend vanaf het derde kwartaal van 2005.