ECLI:NL:CRVB:2005:AU6823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WW-uitkering over periode langer dan 26 weken voorafgaand aan aanvraag zonder bijzonder geval
Appellant was gedeeltelijk arbeidsongeschikt en ontving vanaf 1 augustus 2000 een WAO-uitkering, die later werd herzien naar een lager percentage. Pas in oktober 2002 vroeg hij een WW-uitkering aan voor de periode van 1 augustus 2000 tot 1 september 2001. De aanvraag werd afgewezen omdat deze betrekking had op een periode die meer dan 26 weken vóór de aanvraag lag, zonder dat sprake was van een bijzonder geval.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat appellant had moeten begrijpen dat zijn uitkering opnieuw zou worden berekend en dat hij gedeeltelijk werkloos was. In hoger beroep bevestigde de Raad dat geen bijzonder geval aanwezig is, omdat appellant tijdig en duidelijk geïnformeerd was over zijn rechten en plichten en er geen objectieve belemmeringen waren om de WW-uitkering eerder aan te vragen.
De Raad verwierp het beroep op schadevergoeding en benadrukte dat het begrip 'bijzonder geval' restrictief moet worden uitgelegd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, waarmee het recht op uitkering niet kon worden vastgesteld voor de betwiste periode.
Uitkomst: Geen recht op WW-uitkering over de periode voorafgaand aan de aanvraag vanwege het ontbreken van een bijzonder geval.