ECLI:NL:CRVB:2005:AT4785
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- C.P.J. Goorden
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Afwijzing recht op WW-uitkering wegens overschrijding aanvraagtermijn zonder bijzonder geval
In deze zaak staat de vraag centraal of gedaagde recht heeft op een WW-uitkering over de periode van 4 januari 2000 tot 1 november 2000, terwijl de aanvraag pas later werd ingediend. Appellant heeft het recht op uitkering over deze periode geweigerd op grond van artikel 23 van Pro de WW, omdat de aanvraag meer dan 26 weken na het begin van de werkloosheid is ingediend.
De rechtbank had het besluit van appellant vernietigd en het beroep gegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak en verklaart het beroep ongegrond. De Raad overweegt dat er geen sprake is van een bijzonder geval dat afwijking van de termijn rechtvaardigt. Hoewel de aanvraag laat werd ingediend, is appellant niet tekortgeschoten in de informatievoorziening aan gedaagde.
De Raad baseert dit oordeel onder meer op brieven van appellant waarin gedaagde werd geïnformeerd over de aanvraagprocedure en op het feit dat gedaagde het aanvraagformulier niet tijdig heeft ingediend. Ook het feit dat gedaagde een voorschot op een WAO-uitkering ontving met de waarschuwing dat zij een WW-uitkering moest aanvragen, ondersteunt het oordeel. De Raad concludeert dat het recht op WW-uitkering over de betwiste periode niet kan worden vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op WW-uitkering over de periode vóór de aanvraag wordt niet vastgesteld.