ECLI:NL:CRVB:2000:AA7177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 juli 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
97/5913 + 97/5914 AAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 6:119 BWArt. 24 BeroepswetArt. 25 lid 1 Beroepswet
Verwijzingen
2 uitgaand · 8 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding van gederfde rente door onrechtmatige terugvordering AAW-uitkering

Appellant ontving een AAW-uitkering die door het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) onterecht werd teruggevorderd voor de periode van 1 november 1993 tot 1 januari 1994. Hoewel de rechtbank de terugvordering handhaafde, trok Lisv deze besluiten later in en besloot het bedrag terug te storten.

Appellant had echter al aan de terugvordering voldaan en leed daardoor schade in de vorm van gederfde rente-inkomsten over het onverschuldigd betaalde bedrag. Hij vorderde daarom vergoeding van deze schade op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De Raad oordeelde dat de terugvordering onrechtmatig was en dat de gederfde rente-inkomsten als schade moesten worden vergoed. De wettelijke rente wordt berekend vanaf het moment van afschrijving van het bedrag van de rekening van appellant, waarbij jaarlijks de rente wordt vermeerderd met de rente over het voorgaande jaar.

Daarnaast veroordeelde de Raad Lisv tot vergoeding van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep, alsmede tot terugbetaling van het gestorte griffierecht. De eerdere uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en de beroepen van appellant werden alsnog gegrond verklaard.

Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van de AAW-uitkering wordt vernietigd en Lisv wordt veroordeeld tot vergoeding van de gederfde rente en proceskosten.

Uitspraak

97/5913 + 97/5914 AAW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
A, wonende te B, appellant,
en
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Tabakverwerkende en Agrarische Bedrijven. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging.
In het besluit van 30 oktober 1995 heeft gedaagde de uitkering van appellant ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%, onder toepassing van artikel 33 van Pro de AAW voor de periode 1 augustus 1993 tot 1 januari 1994 op nihil gesteld, in verband met de hoogte van de inkomsten uit arbeid van appellant over die periode.
Bij besluit van 20 maart 1996 heeft gedaagde de onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de AAW over de periode 1 november 1993 tot 1 januari 1994 tot een bedrag van f 1.124,83 van appellant teruggevorderd.
De Arrondissementsrechtbank te Zwolle heeft bij uitspraak van 20 mei 1997 de beroepen tegen de besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr L.E. de Geer, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V. te Amsterdam, op bij beroepschrift aangegeven gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Bij brief van 27 januari 1998 heeft gedaagde de Raad bericht dat de besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996 niet langer worden gehandhaafd. Bij besluit van 6 april 1998 heeft gedaagde de eerdergenoemde besluiten ingetrokken en bepaald dat het reeds door appellant betaalde bedrag van f 1.124,83 wordt teruggestort.
Bij brief van 21 oktober 1998 is namens appellant het volgende aan de Raad meegedeeld. "Bij de beslissing van 6 april 1998 is in beide hoger beroepsprocedures geheel tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant. Aangezien er echter door appellant schade is geleden in de zin van wettelijke rente en rente over die rente omdat hij de terugvordering reeds had voldaan, zal appellant de beroepen niet intrekken. Hij verzoekt u de beide beroepen kennelijke gegrond te verklaren en gedaagde te veroordelen de door appellant geleden schade, zoals hierboven genoemd, aan hem te vergoeden. Tevens verzoekt hij u gedaagde in beide procedures in de proceskosten te veroordelen."
Gedaagde heeft aan de Raad meegedeeld tegen de vorengenoemde namens appellant gedane verzoeken geen verweer te voeren.
Desgevraagd hebben partijen toestemming gegeven de behandeling van de gedingen ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 6 april 1998 heeft gedaagde de in geding zijnde besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996 ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak, gepubliceerd in RSV 1997/297 volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van deze besluiten in principe komt te vervallen, tenzij van zo'n belang blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
In dit geval is namens appellant in de brief van 21 oktober 1998 een dergelijk verzoek gedaan zodat het procesbelang niet is komen te vervallen. Het hoger beroep ter zake van de besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996 is mitsdien ontvankelijk.
Nu gedaagde de meergenoemde besluiten heeft ingetrokken en de onjuistheid van deze besluiten heeft erkend, staat voor de Raad de onrechtmatigheid van deze besluiten vast, hetgeen naar het oordeel van de Raad betekent dat deze besluiten in rechte geen stand kunnen houden en dienen te worden vernietigd. Dit heeft tot gevolg dat de aangevallen uitspraak waarin deze besluiten door de rechtbank in stand zijn gelaten, dient te worden vernietigd.
Met betrekking tot het namens appellant ingediende verzoek om gedaagde ingevolge artikel 8:73 van Pro de Awb te veroordelen tot vergoeding van de schade in de vorm van wettelijke rente overweegt de Raad als volgt.
Vooreerst stelt de Raad vast dat niet in geschil is dat de ingevolge het besluit van 20 maart 1995 door appellant verrichte betaling onverschuldigd is gedaan. De door appellant als gevolg van deze onverschuldigde betaling gederfde inkomsten uit rente zijn aan te merken als schade voortvloeiend uit dat besluit en dienen naar het oordeel van de Raad door gedaagde te worden vergoed. De Raad acht de schade die ingevolge artikel 6:119 van Pro het Burgerlijk Wetboek wordt gevormd door wettelijke rente, toewijsbaar vanaf het moment dat het bedrag van de onverschuldige betaling van de rekening van appellant is afgeschreven. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend,dient te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
De Raad acht voorts termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op f 2.130,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en f 710,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede op het bepaalde in de artikelen 24 en 25, eerste lid van de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant zowel in eerste aanleg als in hoger beroep gestorte griffierecht door gedaagde dient te worden vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de inleidende beroepen tegen de besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996 alsnog gegrond;
Vernietigt de besluiten van 30 oktober 1995 en 20 maart 1996;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor in rubriek II is aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag groot f 2.130,- en hoger beroep tot een bedrag groot f 710;
Bepaalt dat gedaagde aan appellant het gestorte recht van f 260,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr H. van Leeuwen als voorzitter en mr W.D.M van Diepenbeek en mr T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van mr B. Fijnheer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 juli 2000.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) B. Fijnheer.
AB