ECLI:NL:CRVB:2008:BG4610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering WW- en BW-uitkering en proceskostenveroordeling
Appellant was tijdelijk ambtenaar bij de gemeente Best en ontving vanaf oktober 2001 een Ziektewetuitkering en een bovenwettelijke ziekte-uitkering. Vanaf maart 2002 werden door het UWV en het college WW- en BW-uitkeringen toegekend. Door diverse gebeurtenissen zoals werkhervatting en beëindiging van het dienstverband vonden meerdere wijzigingen en terugvorderingen plaats.
Bij besluiten van 8 december 2005 vorderden het UWV en het college bedragen terug wegens te veel betaalde WW- en BW-uitkeringen. Appellant maakte bezwaar, dat door het UWV en het college ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat de terugvordering van BW-uitkering over de periode oktober 2001 tot februari 2002 onterecht is, omdat geen betaling heeft plaatsgevonden. Ook handhaaft de Raad de terugvordering van WW-uitkering over maart 2002 tot januari 2003 niet, vanwege onduidelijkheid en onredelijkheid. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en de terugvorderingsbesluiten, herroept deze en veroordeelt het UWV en het college tot betaling van wettelijke rente en proceskosten aan appellant.
De Raad wijst erop dat het college niet is verschenen bij de zitting, waardoor geen nadere toelichting kon worden gegeven. De vergoeding van proceskosten wordt gelijkelijk verdeeld over het UWV en het college. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Raad vernietigt de terugvorderingsbesluiten en veroordeelt het UWV en het college tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.