ECLI:NL:CRVB:2009:BI2263
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Herziening boete wegens schending inlichtingenplicht bij WW- en TW-uitkering
Appellant ontving vanaf 1 november 2005 een WW- en TW-uitkering, maar verrichtte gedurende die periode fulltime werkzaamheden bij zijn werkgever zonder dit te melden. Het UWV herzag de uitkeringen en vorderde onverschuldigd betaalde bedragen terug. Tevens legde het UWV een boete op wegens het niet nakomen van de inlichtingenplicht, verhoogd met 50% wegens vermeende zeer ernstige verwijtbaarheid.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat sprake was van een fraudeconstructie tussen appellant en werkgever. Appellant stelde dat hij onder druk van de werkgever stond en dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de rol van de werkgever.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant verwijtbaar heeft gehandeld door niet te melden dat hij werkte tijdens de uitkeringsperiode. Echter, het UWV had ten onrechte een verhoogde boete opgelegd omdat niet was voldaan aan de criteria voor verhoogde verwijtbaarheid, zoals een fraudeconstructie. De Raad stelde de boete daarom vast op €250 en wees het verzoek tot vergoeding van renteschade toe. Tevens werden de proceskosten van appellant aan hem toegekend.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenplicht wordt vastgesteld op €250 en het verzoek tot vergoeding van renteschade en proceskosten wordt toegewezen.