De maatschap exploiteert sinds 1997 een vleeskalverhouderij en heeft subsidie aangevraagd op grond van de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus). De minister wees de aanvraag af omdat de stallen bijna anderhalf jaar leeg stonden, waardoor niet werd voldaan aan de vijfjaarseis van onafgebroken gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze.
De maatschap betoogde dat de tijdelijke leegstand het gevolg was van ziekte en daarmee een uitzonderingssituatie binnen het normale bedrijfsproces, en verzocht om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van de vijfjaarseis. Tevens voerde zij aan dat toepassing van de vijfjaarseis in deze situatie onevenredig is en in strijd met het doel van de regeling.
Het College oordeelde dat de langdurige leegstand niet valt onder de bedrijfseconomisch gangbare tijdelijke leegstand en dat de vijfjaarseis duidelijk is geformuleerd in de Richtsnoeren voor staatssteun. Prejudiciële vragen zijn niet nodig. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt omdat de regeling door de Europese Commissie is goedgekeurd en niet buiten toepassing kan worden gelaten. De afwijzing van de subsidieaanvraag wordt bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.