De maatschap exploiteert een melkveehouderij en vleesvarkensbedrijf en vroeg subsidie aan onder de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties voor stikstofreductie (Lbv). De minister wees subsidie voor vier van de negen stallen af, waaronder drie koeienstallen, omdat deze niet onafgebroken vijf jaar bedrijfseconomisch waren gebruikt. De stallen stonden bijna twee jaar leeg, wat volgens de minister geen bedrijfseconomisch gangbare leegstand was.
De maatschap voerde aan dat de vijfjaarseis op het niveau van het gehele bedrijf moet worden beoordeeld en dat tijdelijke leegstand binnen het normale bedrijfsproces valt. Tevens stelde zij dat het besluit onevenredig is vanwege persoonlijke omstandigheden en dat de minister het verbod van reformatio in peius heeft geschonden.
Het College oordeelde dat de regeling ziet op afzonderlijke productielocaties en dat de vijfjaarseis strikt moet worden toegepast. De langdurige leegstand van bijna twee jaar betekent dat niet is voldaan aan de vijfjaarseis. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt vanwege het Europese staatssteunkader. Ook het beroep op reformatio in peius slaagt niet omdat de subsidie voor de varkensstallen is toegekend en het uit te betalen bedrag afhankelijk is van de onomkeerbare sluiting.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.