Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juni 2025 op het hoger beroep van:
[naam 1] , te [woonplaats] ( [naam 1] ) (gemachtigde: mr. P.J.G.G. Sluijter)
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Procesverloop in hoger beroep
Grondslag van het geschil
- Beboetbaar feit 1: Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten werd er niet voor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden werd bespaard (artikel 3, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (Verordening 1099/2009)).
- Beboetbaar feit 2: De bedrijfsexploitant heeft niet de noodzakelijke maatregelen genomen om te waarborgen dat dieren beschermd zijn tegen letsel en geen tekenen van vermijdbare pijn, angst, of abnormaal gedrag vertonen (artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b en d, van Verordening 1099/2009).
,waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft de minister het bezwaar van [naam 1] tegen het boetebesluit van 22 september 2017 (kenmerk 201705763) deels gegrond verklaard en de bezwaren tegen de overige boetebesluiten ongegrond verklaard.
Aangevallen uitspraak
Beoordeling van het geschil in hoger beroep
- na iedere kantelbeurt meerdere kuikens achtergebleven op de kleppen. Enkelen van hen werden hardhandig meegesleurd richting de ernaast gelegen reiniging en ontsmettingsmachine, één/enkelen viel(en) daarbij circa 2 meter omlaag en kwamen daarbij via de onderliggende kettingen en stalen frames terecht op de harde vloer;
- de (gevallen) kuikens reacties vertoonden die tekenen zijn van pijn, spanning of lijden, namelijk: vleugel fladderen, worstelen om overeind te blijven of om op te staan (en een toename van vocalisatie in vergelijking met de situatie van rust voorafgaande aan het kantelen);
Beslissing
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
- veroordeelt de Staat in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 453,50;
- bepaalt dat de griffier van het College het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 541,- aan [naam 1] terugbetaalt.