ECLI:NL:RBROT:2025:14667

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
ROT 24/8272
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boete opgelegd voor overtreding van de Wet dieren bij slachting van runderen

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 18 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure over een opgelegde boete aan eiseres, een slachthuis, voor het niet naleven van de Wet dieren. De boete van € 2.500,- was opgelegd omdat bij de slachting van runderen de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid niet was aangehouden tot de dood was ingetreden. Eiseres was het niet eens met deze boete en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de overtreding terecht was vastgesteld, maar dat de boete gematigd moest worden vanwege overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft de boete uiteindelijk vastgesteld op € 1.500,-. De uitspraak bevat een gedetailleerde beoordeling van het procesverloop, de feiten en de juridische overwegingen met betrekking tot de opgelegde boete en de argumenten van eiseres. De rechtbank heeft ook geoordeeld over de proceskosten en het griffierecht, waarbij beide partijen een deel van de kosten moeten vergoeden. De uitspraak benadrukt het belang van de naleving van de Wet dieren en de verantwoordelijkheden van slachthuizen in het kader van dierenwelzijn.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/8272

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, voorheen de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,
(gemachtigde: mr. D.J. van der Bij).
en

de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete die verweerder aan eiseres heeft opgelegd voor een overtreding van de Wet dieren. Eiseres is het niet eens met deze boete. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de boete.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de overtreding terecht heeft vastgesteld maar dat het beroep gegrond is omdat de boete moet worden gematigd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
1.2.
Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 4.1. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met het besluit van 26 juni 2020 (het boetebesluit) heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van € 2.500,-.
2.1.
Het bezwaar van eiseres tegen het boetebesluit heeft verweerder in een besluit van 18 april 2024 niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 21 mei 2024 [1] heeft deze rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 april 2024 gegrond verklaard en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.
2.2.
Met het bestreden besluit van 7 augustus 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres deels gegrond verklaard en de boete gematigd tot € 1.875,-.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
Partijen hebben de rechtbank bericht niet op de zitting te zullen verschijnen. Op 13 november 2025 heeft de rechtbank [2] bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Totstandkoming van het bestreden besluit

3.1.
Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op een rapport van bevindingen dat op 19 augustus 2019 is opgemaakt door een toezichthouder van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De toezichthouder schrijft in het rapport onder meer het volgende:

Datum en tijdstip van de bevinding: 11 augustus 2019 omstreeks 14.00 uur.
In het bedrijf aangesproken en gelegitimeerd aan: [naam], functie: medewerker
Tijdens mijn inspectie bevond ik mij in de slachthal van bovengenoemd bedrijf waar bedwelming en aansluitend verbloeding van slachtdieren plaatsvond. Het slachthuis had tijdens dit Offerfeest géén registratie om onbedwelmd te slachten. Door het bedrijf was aangegeven dat er die dag 5 runderen elektrisch bedwelmd zouden worden om vervolgens via een rituele hals-snede verbloed te worden.
Ik zag daar dat de elektrische kopbedwelming werd uitgevoerd door [naam] (mede-eigenaar van [eiseres]), waarna de dieren op hun rug gekanteld werden en vervolgens de rituele halssnede kregen (zie video 1 en 2). De bedwelming was in twee gevallen niet voldoende omdat na de aanvankelijke bedwelming en afwezigheid van de cornea-reflex, de dieren weer tekenen van bewustzijn, een duidelijke cornea-reflex, gingen vertonen, kort na de hals-snede en voordat zij verbloed waren en de dood was ingetreden. Dit betekent dat de dieren bij bewustzijn kwamen en de pijn van de hals-snede en het leegbloeden voelden, terwijl een adequate bedwelming dit juist had moeten voorkomen. De bedwelmer en ander personeel hielden geen toezicht op deeffectiviteit van de elektrische bedwelming, zodat ik zelf genoodzaakt was het personeel te instrueren de dieren die weer bij bewustzijn kwamen tijdens het verbloeden, opnieuw te bedwelmen met een schietmasker met penetrerende pen.
Ik constateer dat [eiseres] een bedwelming toepassen die niet tot voldoende langdurende bedwelming leidt zodat het dier weer bij bewustzijn komt voordat, de dood door verbloeding is ingetreden.
[…]
Ik bracht [naam], als medewerker van [eiseres], van mijn bevindingen op de hoogte en zegde ter zake een rapport van bevindingen aan.
3.2.
Op grond van het rapport van bevindingen heeft verweerder vastgesteld dat eiseres het volgende beboetbare feit heeft gepleegd: “Runderen werden niet uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid werd niet aangehouden tot bij de dieren de dood is ingetreden.”
Volgens verweerder heeft eiseres daarmee een overtreding begaan van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren, en met artikel 3, eerste lid, gelet op artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009 [3] .
Verweerder heeft eiseres daarvoor een boete opgelegd van € 2.500,-. Dit is het standaardboetebedrag dat daarvoor geldt op grond van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren.

Beoordeling door de rechtbank

Heeft verweerder bewezen dat eiseres de overtreding heeft begaan?
4. Eiseres betwist de overtreding te hebben begaan. Zij voert aan dat het personeel bij de controle door de toezichthouder niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand waarbij zij verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad van 6 september 2024. Voorts is er geen cautie gegeven en ontbreekt bewijs dat de overtreding is begaan. In het rapport staat dat de toezichthouder het personeel zou hebben geïnstrueerd, maar dat betwist eiseres; zij vraagt zich af in welke taal de toezichthouder dit dan zou hebben gedaan. Daarbij is de heer Beernink niet aangesproken door de toezichthouder. Voorts staat in het rapport van bevindingen vermeld dat de bedwelmer en ander personeel geen toezicht hielden, terwijl in het rapport ook staat dat de heer Beernink op dat moment de elektrische kopbedwelming uitvoerde; dit is tegenstrijdig, aldus eiseres.
4.1.
In een geval als het onderhavige, waarin een boete is opgelegd, rust de bewijslast dat sprake is van een overtreding, gelet op het vermoeden van onschuld, op het bestuursorgaan dat de boete heeft opgelegd. Volgens vaste jurisprudentie van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) [4] , mag een bestuursorgaan in beginsel uitgaan van de bevindingen in een toezichtrapport, indien de controle is verricht en het rapport is opgemaakt door een hiertoe bevoegde toezichthouder en het rapport zelf geen grond biedt om aan de juistheid van de bevindingen te twijfelen. Een toezichthouder wordt geacht te beschikken over de benodigde expertise om het wettelijk geregelde toezicht te houden. Aan de bevindingen van een toezichthouder mag daarom niet lichtvaardig voorbij worden gegaan. Indien de bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.2.
De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de in het rapport beschreven bevindingen te twijfelen. De toezichthouder beschrijft duidelijk wat hij in het slachtproces heeft waargenomen, namelijk dat een elektrische kopbedwelming werd uitgevoerd, gevolgd door een rituele halssnede, en dat de bedwelming in twee gevallen niet voldoende was. De toezichthouder onderbouwt dit door te beschrijven dat hij waarnam dat de dieren na de aanvankelijke bedwelming en afwezigheid van de cornea-reflex, weer tekenen van bewustzijn, namelijk een duidelijke cornea-reflex, gingen vertonen. Dit gebeurde volgens de toezichthouder kort na de halssnede en voordat de dieren verbloed waren en de dood was ingetreden. Eiseres heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht die reden kunnen vormen voor twijfel aan deze gang van zaken. Voorts is in het rapport van bevindingen beschreven dat de dieren bij bewustzijn kwamen en de pijn van de halssnede en het leegbloeden voelden en dat de bedwelmer en ander personeel geen toezicht hielden op de effectiviteit van de elektrische bedwelming. Ook op dit punt ziet de rechtbank geen reden voor twijfel aan de bevindingen van de toezichthouder. Anders dan eiseres, ziet de rechtbank geen tegenstrijdigheid met het gegeven dat op dat moment de heer Beernink de elektrische bedwelming uitvoerde. Het uitvoeren van de bedwelming is immers niet hetzelfde als het controleren of de bewusteloosheid na die bedwelming wordt aangehouden.
4.3.
Het betoog dat het personeel van eiseres ten onrechte niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand en dat ten onrechte niet de cautie is gegeven, slaagt niet. Uit het rapport van bevindingen blijkt namelijk niet dat de toezichthouder personen heeft verhoord als bedoeld in artikel 5:10a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), noch dat medewerkers van eiseres verklaringen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de gestelde overtredingen hebben afgelegd. [5]
4.4.
Nu uit het rapport van bevindingen duidelijk blijkt dat de toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid bij twee dieren niet tot aan de dood is aangehouden en deze dieren daardoor pijn bij de halssnede en het leegbloeden hebben gevoeld, heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres artikel 3, eerste lid, en artikel 4, eerste lid, van Verordening 1099/2009 heeft overtreden.
Hoogte en evenredigheid van de opgelegde boete
5. Voorts voert eiseres aan dat verweerder de boete niet voldoende heeft gematigd. Vanwege de lange periode tussen de constatering en het boetebesluit had de boete op grond van het eigen beleid van verweerder [6] met 10 % moeten worden gematigd. En vanwege overschrijding van de redelijke termijn had de boete in het bestreden besluit nog verder moeten worden gematigd tot € 1.625,-. Daarbij loopt de overschrijding van de redelijke termijn in deze beroepsfase nog verder op. Eiseres wijst erop dat meer dan vijf jaar is verstreken sinds het uitbrengen van het voornemen en dat de mogelijkheid om in te vorderen na vijf jaar verjaart.
5.1.
Nu verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiseres de overtreding heeft begaan, was verweerder bevoegd [7] om eiseres daarvoor een boete op te leggen. In de bijlage bij de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren is de standaardboete voor deze overtreding vastgesteld op € 2.500,-. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit reeds op grond van het eigen beleid de door eiseres verlangde matiging van 10 % heeft toegepast. Anders dan eiseres stelt, is de boete niet verjaard. De vervaltermijn van vijf jaar voor het opleggen van een boete, zoals neergelegd in artikel 5:45, eerste lid, van de Awb, is op dit moment nog niet verstreken, nu uit het derde lid van dit artikel volgt dat deze termijn wordt opgeschort als tegen de boete bezwaar wordt gemaakt of beroep wordt ingesteld.
5.2.
Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie [8] bij punitieve sancties als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden als, behoudens bijzondere omstandigheden, de rechtbank niet binnen twee jaar nadat deze termijn is aangevangen uitspraak doet. De termijn vangt aan op het moment dat het bestuursorgaan een handeling heeft verricht waaraan eiseres de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan haar een boete zou opleggen. Voorts geldt dat de boete in de regel wordt verminderd met 5 % per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden, handelt de rechtbank naar bevind van zaken. [9] In dit geval is de redelijke termijn aangevangen met het uitbrengen van het voornemen op 7 april 2020. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn met drie jaar en acht maanden overschreden. De rechtbank ziet in deze overschrijding aanleiding om de boete, naast de door verweerder toegepaste matiging van 10 % op grond van eigen beleid, te matigen met 30 %. De boete van € 2.500,- wordt dan in totaal gematigd met 40 % naar een bedrag van € 1.500,-.
Dwangsom, stukken en kosten
6. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte geen dwangsom heeft toegekend. Eiseres heeft verweerder na een niet onredelijk lange termijn in gebreke gesteld en verweerder heeft het maximale bedrag aan dwangsommen verbeurd. Verweerder ontkent nog altijd dat eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt en weigert ten onrechte ook alle proceskosten, waaronder executiekosten en buitengerechtelijke kosten en een vergoeding van twee bezwaarfases inclusief hoorzittingen, te vergoeden. Verweerder heeft pas vier jaar na het bezwaar een beslissing genomen en al die tijd geweigerd een onderliggend dossier aan eiseres toe te zenden. Overigens heeft verweerder ook een incompleet dossier aan de rechtbank gestuurd. Zo ontbreekt daarin het bezwaarschrift van 5 augustus 2020, aldus eiseres.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat verweerder het voornemen met het rapport van bevindingen en het boetebesluit aan eiseres heeft toegezonden. Daarmee heeft verweerder voldaan aan zijn verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 5:50 en artikel 7:4 van de Awb. Eiseres heeft ook niet benoemd welke andere stukken zij nog nodig achtte voor haar verdediging. Voornoemde stukken zijn ook in het dossier van de rechtbank aanwezig, evenals stukken die eiseres en verweerder in de bezwaarfase hebben gewisseld, de beslissing op bezwaar van 18 april 2023 en het bestreden besluit van 7 augustus 2024. Van een incompleet beroepsdossier is dan ook niet gebleken. Zoals blijkt uit het bestreden besluit en uit de uitspraak van deze rechtbank over de beslissing op bezwaar van 18 april 2023, heeft verweerder nimmer een bezwaarschrift van 5 augustus 2020 ontvangen, zodat verweerder dit ook niet aan de rechtbank heeft kunnen overleggen.
6.2.
Of verweerder ontkent dat eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt, is in dit beroep niet relevant. Deze rechtbank heeft in de uitspraak van 21 mei 2024 overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op 5 augustus 2020 een bezwaarschrift heeft verzonden, maar dat verweerder dit in de gegeven omstandigheden ten onrechte aan eiseres heeft tegengeworpen en dat daarom een nieuwe beslissing op bezwaar moet worden genomen. Dit heeft verweerder vervolgens gedaan met het bestreden besluit, waarin verweerder het bezwaar van eiseres inhoudelijk heeft beoordeeld. Dit besluit ligt in deze procedure ter beoordeling voor.
6.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen dwangsommen zijn verbeurd. Op grond van artikel 4:17, zesde lid, aanhef en onder a, van de Awb is geen dwangsom verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de wetsgeschiedenis van dit artikel wordt gesproken over ‘hooguit enkele weken’ en wordt benoemd dat ook van belang is of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan. Eiseres heeft op 18 september 2021 verweerder in gebreke gesteld en dat was meer dan een jaar na het gestelde bezwaarschrift van 5 augustus 2020 en de brief die eiseres daarover heeft gestuurd op 2 september 2020. Ook is niet gebleken dat eiseres en verweerder in die tussenliggende periode van meer dan een jaar contact hebben gehad over het bezwaar van eiseres. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder daarom terecht onredelijk laat in gebreke te zijn gesteld [10] en dus geen dwangsommen te zijn verschuldigd.
6.4.
Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres een proceskostenvergoeding toegekend van € 1.248,-. Deze vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld, waarbij voor de rechtsbijstand door een gemachtigde in bezwaar een vast bedrag van € 647,- per proceshandeling wordt toegekend. Verweerder heeft de vergoeding toegekend voor het indienen van het bezwaarschrift en voor de hoorzitting. Van andere te vergoeden proceshandelingen in bezwaar is de rechtbank niet gebleken. Ook is geen sprake van meerdere bezwaarschriften of -procedures. Verweerder heeft na de vernietiging door de rechtbank van de eerdere beslissing op bezwaar, in het bestreden besluit opnieuw op hetzelfde bezwaarschrift beslist. Evenmin is de rechtbank gebleken dat er andere kosten zijn gemaakt die vanwege de gegrondverklaring van het bezwaar voor vergoeding in aanmerking zouden moeten komen. Eiseres heeft dit ook niet nader toegelicht.

Conclusie en gevolgen

7. Uit al het voorgaande volgt dus dat verweerder terecht de boete heeft opgelegd, maar dat het boetebedrag wordt verlaagd omdat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de rechtbank het boetebedrag verlaagt, wordt het bestreden besluit in zoverre vernietigd en het primaire besluit herroepen. Het beroep is dus gegrond.
8. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het door eiseres betaalde griffierecht en een deel van de proceskosten van eiseres wordt vergoed. Voor de toerekening hiervan geldt als uitgangspunt dat de bestuurlijke fase onredelijk lang heeft geduurd voor zover deze de duur van een jaar overschrijdt en hetzelfde geldt voor de rechterlijke fase. In dit geval is de overschrijding zowel aan verweerder als aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal dan ook zowel verweerder als de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) opdragen deze bedragen te vergoeden, elk voor de helft. [11]
8.1.
Het door eiseres betaalde griffierecht bedraagt € 371,-. Verweerder en de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) dienen elk de helft van dit bedrag, dus € 185,50 aan eiseres te vergoeden. Daarnaast vindt een veroordeling plaats in de door eiseres gemaakte proceskosten voor de behandeling van haar verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5 [12] ). Daarvan dienen zowel verweerder als de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) € 226,75 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 7 augustus 2024, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
  • herroept het primaire besluit, voor zover dat ziet op de hoogte van de boete;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
  • stelt de boete vast op € 1.500,-;
  • bepaalt dat verweerder € 185,50 aan griffierecht aan eiseres moet vergoeden;
  • bepaalt dat de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) € 185,50 aan griffierecht aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 226,75, aan proceskosten van eiseres;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van € 226,75 aan proceskosten van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Veling, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L. van der Duijn Schouten, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA ’s-Gravenhage.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

BIJLAGE: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:17, eerste en zesde lid, onder a

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.
6. Geen dwangsom is verschuldigd indien:
7. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,
Artikel 5:10a
Degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, is niet verplicht ten behoeve daarvan verklaringen omtrent de overtreding af te leggen.
Voor het verhoor wordt aan de betrokkene medegedeeld dat hij niet verplicht is tot antwoorden.

Verordening 1099/2009

Artikel 3, eerste lid

1. Bij het doden van dieren en daarmee verband houdende activiteiten wordt ervoor gezorgd dat de dieren elke vermijdbare vorm van pijn, spanning of lijden wordt bespaard.
Artikel 4, eerste lid
1. Dieren worden uitsluitend gedood nadat zij zijn bedwelmd volgens de methoden en de desbetreffende specifieke toepassingsvoorschriften zoals beschreven in bijlage I. De toestand van bewusteloosheid en gevoelloosheid wordt aangehouden tot bij het dier de dood is ingetreden.
De in bijlage I vermelde methoden die niet de onmiddellijke dood tot gevolg hebben (hierna „eenvoudige bedwelming” genoemd), worden zo spoedig mogelijk gevolgd door een methode die de dood garandeert, zoals verbloeden, pithing, elektrocutie of langdurige blootstelling aan zuurstoftekort.

Wet dieren

Artikel 6.2, eerste lid
Het is verboden in strijd te handelen met bij of krachtens algemene maatregel van bestuur of bij ministeriële regeling aangewezen voorschriften van EU-verordeningen en EU-besluiten betreffende onderwerpen waarop deze wet van toepassing is.
Artikel 8.7
Onze Minister kan een overtreder een bestuurlijke boete opleggen.

Regeling houders van dieren

Artikel 5.8
Als voorschriften van EU-verordeningen als bedoeld in artikel 6.2, eerste lid, van de wet worden aangewezen de artikelen 3, 4, eerste en vierde lid, 5, eerste en tweede lid, 6, eerste en tweede lid, 7, 8, 9, 12, 14, eerste en tweede lid, 15, eerste, tweede en derde lid, 16, eerste tot en met vierde lid, 17, 19, 21, zesde lid, 24 en 28, eerste lid, van verordening (EG) nr. 1099/2009.

Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 2.2, eerste en onder c, en derde lid

De hoogte van de bestuurlijke boete die Onze Minister aan een overtreder voor een overtreding kan opleggen wordt overeenkomstig de volgende boetecategorieën vastgesteld:
categorie 3: € 2.500
3. Bij ministeriële regeling worden de bepalingen waarvoor in geval van overtreding een bestuurlijke boete kan worden opgelegd, ingedeeld overeenkomstig de daarbij aangewezen boetecategorie.
Artikel 2.5, eerste lid
Indien ten tijde van het begaan van een overtreding nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een eerder aan de overtreder opgelegde bestuurlijke boete voor eenzelfde overtreding onherroepelijk is geworden, is de bestuurlijke boete gelijk aan de som van de op grond van de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4 voor de overtreding op te leggen bestuurlijke boete en de voor die eerdere overtreding opgelegde bestuurlijke boete.

Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren

Artikel 1.2
De hoogte van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, van het besluit, wordt vastgesteld overeenkomstig de bedragen die horen bij de boetecategorieën die in de bijlage bij deze regeling voor desbetreffende overtredingen zijn vastgelegd.
Bijlage als bedoeld in artikel 1.2 van de Regeling handhaving en overige zaken Wet dieren
Regeling houders van dieren Categorie
Artikel 5.8 3

Voetnoten

2.Gelet op artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht
3.Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden
5.Vergelijk ECLI:NL:CBB:20205:335 (r.o. 6.3)
6.Eiseres verwijst naar ROT 22/1732, ECLI:NL:RBROT:2023:9460 (r.o. 6.5)
7.Gelet op artikel 6.2, eerste lid, en artikel 8.7 van de Wet dieren, en artikel 5.8 van de Regeling houders van dieren
12.Zie bijv. ECLI:NL:RVS:2025:5294 (r.o. 3) en ECLI:NL:CBB:2025:641 (r.o. 10.2)