ECLI:NL:CBB:2024:778
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De ondernemer verzocht subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het vierde kwartaal van 2020. De minister stelde de subsidie vast op nihil omdat het vereiste omzetverlies van ten minste 30% niet was bereikt. De minister baseerde zich op de omzetgegevens uit de aangiften omzetbelasting.
De ondernemer voerde aan dat de gehanteerde referentieperiode en omzetberekening onjuist waren, onder meer omdat zijn groeiende onderneming niet goed wordt weerspiegeld in de vergelijking met Q4 2019 en omdat de kasstelsel-administratie niet overeenkomt met de omzetbelastingaangiften. Ook stelde hij dat het vaste lastenpercentage te laag was vastgesteld.
Het College oordeelde dat de minister terecht is uitgegaan van de omzetbelastingaangiften, zoals voorgeschreven in de regeling, en dat het kasstelsel geen afwijking rechtvaardigt. Het argument van de ondernemer over de referentieperiode werd verworpen op grond van eerdere jurisprudentie. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalde omdat er geen sprake was van een zeer uitzonderlijk geval.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de subsidie op nihil vastgesteld. Daarnaast werd de minister en de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van in totaal €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en beroepsprocedure.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de subsidie wordt vastgesteld op nihil wegens onvoldoende omzetverlies.