De onderneming heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken om de subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL) voor het eerste kwartaal van 2021 op nihil vast te stellen en het betaalde voorschot terug te vorderen. De kern van het geschil betrof de berekening van het omzetverlies, waarbij de onderneming stelde dat zij wel voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies ten opzichte van het eerste kwartaal van 2019.
De minister had het omzetverlies berekend op 28,1%, gebaseerd op een referentieomzet van €87.526,64 en een subsidieomzet van €62.916,21. De onderneming voerde aan dat correcties op de referentieomzet tot een hoger omzetverlies van 35,33% zouden leiden. Het College overwoog dat de minister terecht het kasstelsel toepaste voor de omzetbepaling en dat bedragen vooruit gefactureerd buiten de referentieperiode niet tot de referentieomzet behoren.
Het College bevestigde dat de minister de referentieomzet juist had vastgesteld en dat het omzetverlies van 28,1% niet voldeed aan het vereiste minimum van 30%. Op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 mocht de subsidie daarom op nihil worden vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.