ECLI:NL:CBB:2023:593
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens onvoldoende omzetverlies
De ondernemer, die sinds 2019 een winkel exploiteert en in 2020 een tweede winkel opende, vroeg subsidie aan op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL). De minister verleende aanvankelijk subsidie, maar stelde deze later op nihil vast omdat de ondernemer niet voldeed aan het vereiste van minimaal 30% omzetverlies in het eerste kwartaal van 2021 ten opzichte van het eerste kwartaal van 2019.
De ondernemer voerde aan dat de omzet van de tweede winkel niet meegeteld had moeten worden vanwege het andere kostenpatroon en stelde alternatieve referentieperiodes voor. Ook stelde zij dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, het fair-playbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, en dat zij op grond van toezeggingen gerechtvaardigd vertrouwen had op subsidie.
Het College oordeelde dat de omzetberekening conform de TVL-regeling juist was en dat de referentieperiode niet gewijzigd kon worden. Er was geen sprake van een uitzonderlijke situatie die afwijking rechtvaardigde. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat geen concrete toezeggingen waren gedaan. Het College concludeerde dat de minister terecht de subsidie op nihil had vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond.
De beslissing bevestigt dat de TVL strikt wordt toegepast en dat groei van een onderneming door opening van nieuwe vestigingen geen reden is voor afwijking van de vastgestelde referentieperiode of omzetberekening. De ondernemer hoeft geen proceskosten te ontvangen.
Uitkomst: Het beroep van de ondernemer tegen het besluit tot nihil vaststelling van de subsidie TVL wordt ongegrond verklaard.