ECLI:NL:CBB:2023:48
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing subsidieaanvraag vaste lasten financiering COVID-19 wegens geen startende onderneming
Appellante heeft subsidieaanvragen ingediend op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL-Regeling) voor het eerste en tweede kwartaal van 2021. Deze aanvragen werden door verweerder afgewezen wegens het niet voldoen aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies, waarbij verweerder vasthield aan de standaard referentieperiodes 2019.
Appellante stelde dat haar onderneming als startende onderneming moest worden aangemerkt omdat zij na een periode van inactiviteit sinds 2019 haar activiteiten had hervat. Verweerder en het College oordeelden echter dat geen sprake was van een startende onderneming, omdat de onderneming sinds 1999 was ingeschreven zonder wijziging van SBI-codes of bedrijfsactiviteiten, en de stillegging het gevolg was van interne beslissingen.
Het College overwoog verder dat er geen uitzonderlijk geval was dat een afwijking van de standaard referentieperiodes zou rechtvaardigen. De omstandigheden van inactiviteit vanwege verblijf van de aandeelhouder in het buitenland waren niet schrijnend genoeg. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en de subsidieaanvragen worden afgewezen omdat zij niet als startende onderneming wordt aangemerkt.