Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 mei 2023 in de zaak tussen
[naam 1] B.V., te [plaats] , (de vennootschap),
de minister van Economische Zaken en Klimaat
Procesverloop
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
College van Beroep voor het bedrijfsleven
De vennootschap exploiteert een hotel en heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat waarbij de subsidie vaste lasten financiering MKB COVID-19 (TVL) over juni tot en met september 2020 werd vastgesteld op € 0,- en het voorschot van € 40.000,- werd teruggevorderd. De minister stelde dat de vennootschap niet voldeed aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies, berekend op basis van de omzet in de referentieperiode (Q2 en Q3 2019) en de subsidieperiode (Q2 en Q3 2020). De vennootschap stelde dat de startdatum van haar activiteiten niet 28 februari 2019 was, maar 1 april 2019, de officiële openingsdatum, en dat daardoor een andere referentieperiode moest worden gehanteerd.
Het College oordeelde dat de startdatum van de activiteiten objectief moet worden bepaald aan de hand van het moment waarop alle noodzakelijke vergunningen aanwezig waren en er geen juridische belemmeringen waren. Op 28 februari 2019 beschikte de vennootschap over een huurovereenkomst en de benodigde vergunningen, en was het hotel operationeel met omzetgeneratie. De periode tot 1 april 2019 waarin personeel werd geworven en arrangementen werden aangeboden, vormde geen juridische belemmering. Het College bevestigde dat de minister terecht geen andere referentieperiode heeft gehanteerd.
Verder werd geoordeeld dat het ontbreken van een hardheidsclausule in de regeling en het grote aantal aanvragen rechtvaardigen dat slechts in zeer bijzondere gevallen wordt afgeweken van de standaard systematiek. De vennootschap voldeed niet aan het omzetverliescriterium van 30%, waardoor de subsidie terecht op nihil werd vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de vennootschap tegen het besluit tot vaststelling van de subsidie op nihil wegens onvoldoende omzetverlies wordt ongegrond verklaard.