ECLI:NL:CBB:2022:699

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak
11 oktober 2022
Publicatiedatum
10 oktober 2022
Zaaknummer
21/1202
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1.1 TVL-regelingArtikel 2.1.1 TVL-regelingArtikel 2.2.1 TVL-regelingArtikel 2.2.2 TVL-regelingWet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing subsidie vaste lasten financiering COVID-19 wegens niet voldoen omzetverlies en vaste lasten drempel

Appellant heeft een subsidieaanvraag ingediend op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL-regeling) voor het eerste kwartaal van 2021. De aanvraag is afgewezen omdat appellant niet voldeed aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies en de drempel van minimaal € 1.500 aan vaste lasten niet werd gehaald.

Appellant voerde aan dat hij in 2019 is gestart en daardoor in de referentieperiode weinig omzet had, waardoor hij feitelijk 100% omzetverlies leed door gedwongen sluiting. Verweerder stelde dat appellant niet onder de startersregeling valt omdat de onderneming vóór 31 december 2018 is ingeschreven, waardoor de referentieperiode het eerste kwartaal van 2019 is. Het lage omzetniveau in die periode rechtvaardigt geen uitzondering.

Het College overweegt dat de regeling geen hardheidsclausule bevat en dat alleen in zeer bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de referentieperiode, zoals bij brand of ernstige ziekte. Het opbouwen van een klantenbestand wordt niet als een dergelijke omstandigheid gezien. Daarom is de afwijzing terecht en het beroep ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de subsidieaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat appellant niet voldoet aan de omzetverlies- en vaste lasteneisen.

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/1202

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 oktober 2022 in de zaak tussen

[naam 1] h.o.d.n. [naam 2] , te [plaats] , appellant,

en

de minister van Economische Zaken en Klimaat, verweerder

(gemachtigde: mr. S.M. Piron).

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van appellante voor een subsidie op grond van de Regeling subsidie vaste lasten financiering COVID-19 (TVL-regeling) voor het eerste kwartaal (Q1) van 2021 afgewezen.
Bij besluit van 19 oktober 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2022.
Appellant is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Aanleiding van deze procedure
2. Appellant heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie op grond van de TVL-regeling voor Q1 van 2021.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de onderneming van appellant niet voldoet aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies (artikel 2.2.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de TVL-regeling). Daarnaast wordt de drempel van ten minste € 1.500,- aan vaste lasten voor de onderneming (artikel 2.1.1, tweede lid, onder b, van de TVL-regeling) door appellant niet gehaald. In het bestreden besluit stelt verweerder dat, zelfs als gekeken wordt naar het tweede kwartaal van 2019 als referentieperiode, zoals door appellant in bezwaar is verzocht, de drempel van ten minste € 1.500, - aan vaste lasten niet wordt gehaald.
Standpunt van appellant
4. Appellant voert aan dat hij in 2019 is begonnen met zijn onderneming en daardoor in de referentieperiode niet direct veel omzet maakte. Appellant betoogt dat hij eigenlijk 100% omzetverlies heeft gemaakt, omdat hij gedwongen moest sluiten. Al zijn kosten (vaste lasten) gingen gewoon door en daar heeft hij steun voor nodig.
Standpunt verweerder
5. Verweerder stelt dat er geen juridische belemmeringen waren om op 1 januari 2019 te starten, omdat appellant zijn onderneming voor 31 december 2018 heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Daarom heeft verweerder terecht de referentieperiode uit artikel 2.2.2, tweede lid, van de TVL-regeling toegepast. In het geval van appellant is geen sprake van een zeer bijzondere of uitzonderlijke omstandigheid, zodat het maken van een uitzondering volgens verweerder niet aan de orde is.
Oordeel van het College
6.1
Kernpunt van het geschil is de vraag of verweerder terecht de maanden januari, februari en maart 2019 als referentieperiode heeft aangehouden op grond van artikel 2.2.2, tweede lid, van de TVL-regeling. Het College overweegt hieromtrent als volgt.
6.2
Vast staat dat appellant zijn onderneming op 27 december 2018 in het handelsregister heeft ingeschreven. Begin januari 2019 is appellant daadwerkelijk met zijn barbershop begonnen. Appellant heeft ter zitting toegelicht dat geheel 2019 niet als referentieperiode kan worden gebruikt, omdat hij zijn klantenbestand nog aan het opbouwen was, maar dat wat hem betreft elk kwartaal in 2020 als referentieperiode kan dienen.
6.3
Gezien zijn inschrijving in het handelsregister op 27 december 2018, valt appellant niet onder de startersregeling zoals opgenomen in artikel 2.2.2, derde lid, TVL-regeling en bestaat daarom geen mogelijkheid om af te wijken van de referentieperiode. Dit betekent dat de in artikel 2.2.2, tweede lid, TVL-regeling opgenomen referentieperiode, zijnde Q1 van 2019, dient te worden gehanteerd. Bij vergelijking van de omzet van appellant in de referentieperiode (€ 1.133,00) en de omzet in de subsidieperiode (€ 4.844,00) wordt niet voldaan aan het vereiste van ten minste 30% omzetverlies noch wordt de drempel van ten minste € 1.500,- aan vaste lasten voor de onderneming door appellant gehaald.
6.4
Het College begrijpt dat appellant de referentiesystematiek als onredelijk ervaart vanwege de ongunstige werking ervan voor hem. Zoals het College echter eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 8 juni 2021, ECLI:NL:CBB:2021:594), heeft de regelgever geen hardheidsclausule opgenomen in de TVL-regeling. Om te zorgen dat de TVL-regeling uitvoerbaar blijft, maakt verweerder alleen in zeer bijzondere gevallen een uitzondering. Daarbij kan worden gedacht aan een onderneming die in de referentieperiode te kampen heeft gehad met brand, ernstige ziekte of een overlijden in de directe omgeving, waardoor deze geen referentieomzet heeft en daarom niet in aanmerking komt voor een subsidie. Het College vindt dat niet onredelijk. De enkele omstandigheid dat appellant een lage omzet had in de referentieperiode, omdat hij zijn klantenbestand nog aan het opbouwen was, is naar het oordeel van het College onvoldoende om een uitzondering te maken. Daarom heeft verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van appellant geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval waarin het besluit onevenredig nadelig uitpakt.
6.5
Verweerder heeft de aanvraag van appellant voor een subsidie voor Q1 van 2021 terecht afgewezen.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. Stoové, in aanwezigheid van mr. A. Verhoeven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2022.
w.g. M.C. Stoové w.g. A. Verhoeven

Bijlage relevante regelgeving

De TVL-regeling luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“Artikel 1.1
(…)
3. In de artikel 2.2.1, tweede lid, onderdeel b, (…), staat:
- A voor de omzet in de referentieperiode, uitgedrukt in Euro's;
- B voor het omzetverlies, uitgedrukt in procenten;
- C voor de ratio tussen de vaste kosten en de omzet van een gemiddeld bedrijf,
zoals per sector genoemd in de derde kolom van de tabel in de bijlage, uitgedrukt
in procenten;
- D voor het subsidiepercentage, dat 85% bedraagt.
Artikel 2.2.1
1. De minister verstrekt op aanvraag eenmalig een subsidie aan een getroffen MKB-onderneming om bij te dragen aan de financiering van de vaste lasten in de maanden januari, februari en maart 2021.
2. De subsidie wordt enkel verstrekt aan een MKB-onderneming:
a. waarvan het omzetverlies ten minste 30% bedraagt;
b. waarvan de uitkomst van de vermenigvuldiging van A en C ten minste € 1.500 bedraagt;
(…)
Artikel 2.2.2
1.Het omzetverlies wordt berekend door het verschil tussen de omzet in de referentieperiode en de omzet in de subsidieperiode te bepalen en deze te delen door de omzet in de referentieperiode. De uitkomst van deze berekening wordt uitgedrukt in procenten.
2. De omzet in de referentieperiode is de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2019.
3. In afwijking van het tweede lid is de omzet in de referentieperiode voor:
a. een getroffen MKB-onderneming die na 31 december 2018 en uiterlijk op 30
september 2019 voor de eerste maal is ingeschreven in het handelsregister: de
omzet in het eerste gehele kalenderkwartaal volgend op de maand van de
inschrijving in het handelsregister;
(…)
4. De omzet in de subsidieperiode is de omzet in het eerste kalenderkwartaal van 2021.
5. Indien de getroffen MKB-onderneming omzetbelasting betaalt over het geheel van de bedragen op basis waarvan haar omzetverlies wordt berekende, wordt als de omzet van de onderneming beschouwd het bedrag ten aanzien waarvan zij aangifte doet voor de omzetbelasting, overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de Wet op de omzetbelasting 1968.
(…)”