ECLI:NL:CBB:2021:300
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling knelgevallenregeling en immateriële schadevergoeding in fosfaatrechtenzaak
Appellante betoogde dat verweerder ten onrechte de knelgevallenregeling van artikel 23, zesde lid, Meststoffenwet niet toepaste, omdat zij door ziekte en overlijden van een maat minder dieren hield op de peildatum. Zij stelde dat voor melk- en kalfkoeien een andere peildatum dan voor jongvee had moeten gelden en dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht schond. Daarnaast vorderde zij immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Het College oordeelde dat verweerder terecht uitging van de door appellante opgegeven peildatum 16 september 2013 en dat appellante niet aannemelijk maakte dat een andere peildatum of representatieve melkproductieperiode gehanteerd moest worden. Het betoog dat het stelsel strijdig is met artikel 1 EP Pro faalde, evenals het beroep op een individuele en buitensporige last, omdat appellante haar investeringsbeslissingen als ondernemersrisico draagt.
De overschrijding van de redelijke termijn van dertien maanden werd vastgesteld, en verweerder werd veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,- en proceskosten van €267,-. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot betaling van €1.500,- immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.