ECLI:NL:CBB:2021:170
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen vaststelling fosfaatrecht melkveehouderij onder Meststoffenwet
Appellante, exploitant van een melkveehouderij, stelde dat de vaststelling van haar fosfaatrecht onjuist was vanwege een groot deel jongvee dat na de peildatum 2 juli 2015 afkalfde, waardoor de melkproductie in 2015 te laag werd vastgesteld. Tevens voerde zij aan dat het fosfaatrechtenstelsel haar eigendomsrecht aantastte en dat zij een individuele en buitensporige last ondervond door bedrijfsverplaatsing en uitbreiding.
Verweerder stelde dat de melkproductie correct was vastgesteld op basis van de feitelijke productie in 2015 en dat er geen causaal verband was tussen het ongeval van een vennoot en een lagere melkproductie. Ook wees hij erop dat het fosfaatrechtenstelsel niet in strijd is met het recht op eigendom en dat de investeringskeuzes van appellante ondernemersrisico's zijn.
Het College oordeelde dat de vaststelling van de melkproductie conform de wettelijke bepalingen was en dat de knelgevallenregeling terecht niet van toepassing werd verklaard. Het fosfaatrechtenstelsel is verenigbaar met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. De individuele last van appellante werd niet als buitensporig beoordeeld, mede omdat investeringen en uitbreidingskeuzes ondernemersrisico's zijn en de bescherming van milieu en volksgezondheid zwaarder weegt.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van appellante tegen het vastgestelde fosfaatrecht wordt ongegrond verklaard.