Uitspraak
Op 2 juli 2015 had appellante 176 melkkoeien, 61 pinken en 67 kalfjes.
Anders dan appellante betoogt voorziet de Regeling er niet in dat voor de beoordeling of wordt voldaan aan de 5%-voorwaarde een vergelijking wordt gemaakt tussen de daadwerkelijke bedrijfssituatie op 2 juli 2015 en de bedrijfssituatie op die datum in het – hypothetische – geval de bijzondere omstandigheid zich niet zou hebben voorgedaan. Voorts biedt, zoals het College eerder heeft geoordeeld – onder meer in de uitspraken van 13 november 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:598) en (ECLI:NL:CBB:2018:599) – de knelgevallenregeling verweerder niet de mogelijkheid rekening te houden met beoogde, maar niet gerealiseerde groei van de veestapel.
Het betoog faalt.
Niet in geschil is dat appellante voor de bedrijfsverplaatsing is gecompenseerd. Het College begrijpt het betoog van appellante aldus dat volgens haar sprake is van een individuele buitensporige last omdat zij niet is gecompenseerd voor het feit dat zij door de inwerkingtreding van de Regeling de door haar gewenste vergroting niet meer kan bewerkstellingen, terwijl zij dat voor de bedrijfsverplaatsing wel had gekund.
10.6 Met verweerder is het College van oordeel dat de beslissing van appellante om - naast de bedrijfsverplaatsing - ook een bedrijfsvergroting te realiseren niet navolgbaar is. Op het moment dat appellante concrete stappen zette om die vergroting op de huidige bedrijfslocatie te realiseren, in 2014, kon namelijk voor een melkveehouder duidelijk zijn dat een ongeremde groei van de bedrijfstak niet mogelijk was en dat zij productiebeperkende maatregelen kon verwachten. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van het College van 1 september 2020, ECLI:NL:CBB:2020:586. Verder heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat er een bedrijfseconomische noodzaak was voor de vergroting.
Dat de uitbreidingsplannen van appellante zijn vertraagd door de plannen in het kader van het project Ruimte voor de Rivier, maakt niet dat sprake is van een individuele buitensporige last. Hoewel het College de keuze van appellante om na de bekendmaking van die plannen in 2005 niet (verder) uit te breiden begrijpt, betreft dit een ondernemerskeuze waarvan de gevolgen bij de toepassing van de Regeling voor rekening van appellante dienen te blijven.
Het betoog slaagt niet.