Appellant exploiteert een melkveehouderij en heeft een deel van zijn grond verpacht, waardoor hij niet meer als grondgebonden bedrijf wordt aangemerkt en een korting op zijn fosfaatrecht van 137 kg krijgt. Hij betoogt dat dit een onevenredige last is die in strijd is met het recht op eigendom zoals vastgelegd in het Eerste Protocol bij het EVRM.
Verweerder heeft het fosfaatrecht vastgesteld op basis van de dieraantallen van 2 juli 2015 en de grondgebondenheid, waarbij de verpachte grond buiten beschouwing is gelaten. Het College stelt vast dat de verpachting voor 21 maanden onderdeel is van de bedrijfsvoering en dat de risico’s van deze ondernemersbeslissing voor rekening van appellant komen. Er is geen sprake van een eenmalige en tijdelijke aangelegenheid die een individuele en buitensporige last oplevert.
Het College vernietigt het bestreden besluit en stelt het fosfaatrecht vast op 2.362 kg. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten en moet het betaalde griffierecht aan appellant worden vergoed. De belangen van milieubescherming en naleving van internationale verplichtingen wegen zwaarder dan de belangen van appellant.