Appellante, een vennootschap onder firma met een gemengd landbouwbedrijf, stelde dat de generieke korting van 8,3% op haar fosfaatrecht een individuele en buitensporige last vormde. Dit zou het gevolg zijn van een onvoorziene samenloop van omstandigheden, waaronder de verpachting van vijf percelen landbouwgrond en de verkoop van aangrenzende grond in 2015.
Verweerder stelde dat de verpachting een bestendige praktijk was en dat appellante geen financieel nadeel had geleden, aangezien de verkochte grond voor dezelfde prijs werd doorverkocht en het vrijgekomen kapitaal kon worden ingezet voor aankoop van extra fosfaatrechten. Het College overwoog dat het fosfaatrechtenstelsel op regelingsniveau niet in strijd is met het recht op eigendom uit het Eerste Protocol bij het EVRM.
Het College concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij een individuele en buitensporige last draagt. De belangen van milieubescherming en naleving van de Nitraatrichtlijn wegen zwaarder dan de belangen van appellante. Het beroep tegen het vervangingsbesluit werd ongegrond verklaard, het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk, en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.