ECLI:NL:CBB:2016:209
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.R. Winter
- H. Bolt
- A. Venekamp
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens overtreding Meststoffenwet door niet aannemelijk maken verhuur mestsilo's
Appellanten exploiteerden een agrarisch bedrijf waar in juni 2009 38 vrachten dierlijke mest in silo's werden gelost. De staatssecretaris legde een bestuurlijke boete op wegens overschrijding van stikstof- en fosfaatgebruiksnormen volgens de Meststoffenwet. Appellanten stelden dat de silo's waren verhuurd aan een derde partij en dat de mest niet op hun bedrijf was toegediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellanten onvoldoende bewijs leverden voor de verhuur en het afvoeren van de mest. In hoger beroep voerden appellanten aan dat de silo's wel verhuurd waren, onder meer op basis van mondelinge overeenkomsten, getuigenverklaringen en bankafschriften. Tevens betwistten zij dat de bewijslast bij hen lag.
Het College oordeelde dat de bewijslast primair bij degene ligt die mest op of in de bodem brengt en dat appellanten onvoldoende aannemelijk maakten dat de silo's waren verhuurd. De door appellanten aangevoerde feiten en documenten boden onvoldoende bewijs. Ook het beroep op matiging van de boete wegens het ontbreken van economisch voordeel werd verworpen. Het College bevestigde de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de boete.
Uitkomst: De bestuurlijke boete van €38.756 wegens overtreding van de Meststoffenwet wordt bevestigd.