ECLI:NL:CBB:2015:219
College van Beroep voor het bedrijfsleven
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boetes voor overtreding rookverbod in kleine horecagelegenheid met werknemer
Appellante exploiteert een horecabedrijf met een oppervlakte kleiner dan 70 m² en stelt dat zij een zelfstandige zonder personeel is, waarbij een vriendin incidenteel helpt zonder ondergeschiktheid. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) constateerde meerdere keren overtredingen van het rookverbod in haar café, waarbij een vrouw achter de bar werkzaam was die zich als medewerkster presenteerde.
De minister legde op grond van artikel 11a, eerste lid, van de Tabakswet boetes op wegens onvoldoende maatregelen om werknemers te beschermen tegen hinder van roken. De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de vriendin als werknemer moet worden beschouwd vanwege de gezagsverhouding en het verrichten van werkzaamheden.
In hoger beroep bevestigt het College deze uitspraken. Het overweegt dat de begrippen werknemer en werkgever ruim moeten worden uitgelegd in het licht van de Arbeidsomstandighedenwet en dat ook vrijwillige helpers onder gezag van de exploitant vallen. Het handhavingsbeleid van de NVWA, dat steekproefsgewijs controleert en hercontroles uitvoert bij recidive, is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
De uitzondering voor kleine cafés zonder personeel geldt niet omdat de vriendin als werknemer wordt aangemerkt. De boetes van € 600 per overtreding blijven gehandhaafd en er is geen grond voor schadevergoeding of proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het College bevestigt de boetes van € 600 wegens overtreding van het rookverbod en wijst de hoger beroepen af.