Uitspraak
COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN
Uitspraak van de meervoudige kamer van 18 september 2014 in de zaak tussen
KPN B.V., beide te Amsterdam (gezamenlijk: KPN),
Procesverloop
- de retailmarkt voor enkelvoudige gesprekken (PSTN/VoB1);
- de retailmarkt voor tweevoudige gesprekken (ISDN1,2/VoB2);
- de retailmarkt voor meervoudige gesprekken (ISDN15,20,30).
Daarbij staat PSTN voor een analoge verbinding op het ‘Public Switched Telephone Network’, het circuitgeschakelde openbare koperen telefonienetwerk, waarbij een PSTN-aansluiting één spraakkanaal levert. VoB – dat nagenoeg altijd in een bundel met internetdiensten wordt afgenomen – staat voor Voice over Broadband, waarbij via een modem telefoniediensten over een breedbandig netwerk worden aangeboden. Aangezien VoB schaalbaar is, kunnen over een aansluiting meerdere kanalen worden geleverd. Bij ISDN (Integrated Services Digital Network) worden over het openbare koperen telefonienetwerk digitale telefoniediensten aangeboden, waarbij door de digitale aansluittechniek meerdere communicatiekanalen over de aansluitlijn kunnen worden geleverd. Het getal achter VoB en ISDN geeft aan hoeveel gesprekken gelijktijdig gevoerd kunnen worden.
- de wholesalemarkt voor enkelvoudige gespreksdiensten;
- de wholesalemarkt voor tweevoudige gespreksdiensten;
- de wholesalemarkt voor meervoudige gespreksdiensten.
Afbakening van de drie retailmarkten: algemeen
ACM heeft ook geanalyseerd of er sprake is van aanbodsubstitutie vanuit aanbieders die geen diensten aanbieden of slechts diensten aanbieden op één van de drie op basis van vraagsubstitutie onderscheiden markten. ACM heeft vastgesteld dat de grote partijen die reeds actief zijn op de markten voor PSTN/VoB1 en ISDN1,2/VoB2 ook ISDN15,20,30 aanbieden, waardoor van deze partijen vanuit de aanbodzijde geen extra concurrentiedruk uitgaat. Aanbieders die alleen ISDN15,20,30 aanbieden zullen niet op korte termijn overgaan tot het aanbieden van PSTN-, ISDN1,2- of VoB1,2-diensten. ACM ziet daarnaast geen andere partijen die nu nog niet actief zijn op de onderscheiden markten en op korte termijn zonder significante investeringen zouden kunnen toetreden. ACM heeft daarom geconcludeerd dat ISDN15,20,30 enerzijds en PSTN/VoB1 en ISDN1,2/VoB2-diensten anderzijds geen aanbodsubstituten van elkaar zijn.
2. Hoe groot is de zogeheten churn (waaronder wordt verstaan het klantverloop), hoe kenmerkt de churn zich en welke redenen liggen hieraan ten grondslag? en
3. Welke producten ziet de consument als alternatief voor het vaste telefonieproduct dat momenteel wordt afgenomen en welke productkenmerken zijn bepalend voor de keuze van een vaste telefonieproduct?
een methode(onderstreping ACM) om na te gaan of er sprake is van eventuele substitutie aan de vraag- en aanbodzijde en in randnummer 42 wordt gewezen op mogelijke situaties waarin de SSNIP-test juist niet relevant is. In eerdere jurisprudentie heeft het College in lijn hiermee geoordeeld dat ACM onder omstandigheden met een SSNIP-test in de vorm van een gedachte-experiment kan volstaan of de uitkomst dermate evident is dat een nadere – kwantitatieve – invulling niet nodig is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van het College over het Marktanalysebesluit Ontbundelde toegang 2010, ECLI:NL:CBB:2011:BQ3135).
- de feitelijke marktaandelen van KPN en haar concurrenten waaronder de kabelaanbieders;
- de verwachte wijzigingen in marktaandelen indien alle regulering wordt weggedacht;
- de beperkte dynamiek van de retailmarkten die volgens ACM in het voordeel van de aanbieder met het hoogste marktaandeel is;
- de netwerkdekking van de eigen netwerken van KPN en de kabelaanbieders en de controle van KPN over de niet eenvoudig te repliceren infrastructuur;
- de verticale integratie van KPN en de kabelaanbieders;
- het brede productportfolio van KPN dat haar breedte- en schaalvoordelen geeft, die haar de mogelijkheid bieden om de hoge vaste kosten van het netwerk te spreiden over verschillende diensten en afnemers;
- de door eindgebruikers gepercipieerde overstapdrempels en de beperkte kopersmacht van eindgebruikers;
- de voor KPN beperkte disciplinering door een mogelijke verschuiving van belvolumes naar mobiele telefonie en OTT-telefonie en de hoge toetredingsdrempels.
Ingevolge artikel 2.5, zesde lid, van het Bude hoeft de aanbieder die krachtens artikel 9.2 van de Tw is aangewezen het krachtens het derde lid, onderdeel b, van eerstgenoemde bepaling gestelde tariefvoorschrift voor het maandelijkse tarief niet in acht te nemen jegens consumenten die tevens geabonneerd zijn op een carrierdienst.
In artikel 2.1 van de Rude zijn het maximale maandelijkse tarief en de maximale gebruiksafhankelijke tarieven vastgesteld.
Dit dictumonderdeel moet worden bezien in relatie met de dictumonderdelen VIII en XXXIV van het bestreden besluit. Dictumonderdeel VIII strekt ertoe KPN te verplichten C(P)S en de daarvoor benodigde toegang mogelijk te maken voor alle gesprekken die origineren op het vaste aansluitnetwerk van KPN. Ingevolge dictumonderdeel XXXIV dient KPN op grond van artikel 6a.2 juncto artikel 6a.6 van de Tw afnemers in staat te stellen om op wholesaleniveau telefonieaansluitingen (WLR) af te nemen ten behoeve van wederverkoop op de retailmarkt.
In dictumonderdeel LII van het bestreden besluit heeft ACM als onderdeel van de non‑discriminatieverplichting op de wholesalemarkten voor twee- en meervoudige gespreksdiensten aan KPN de verplichting opgelegd om een minimale marge te hanteren tussen WLR en diensten op de downstream gelegen retailmarkten (ND-5 toets). De inhoud van deze verplichting is uitgewerkt in paragraaf 10.3.2.2.
Voor zover KPN stelt dat de ruime definitie van het begrip bundel leidt tot onaanvaardbaar hoge uitvoeringslasten in het kader van de ND-5 toets, verwijst het College allereerst naar overweging 10.17.5 van de uitspraak van 3 mei 2011 over het Marktanalysebesluit inzake de retailmarkt voor breedbandinternettoegang, de wholesalemarkt voor lage kwaliteit breedbandtoegang en de wholesalemarkt voor hoge kwaliteit breedbandtoegang (WBT 2008-uitspraak, ECLI:NL:CBB:2011:BQ3146). Daarin heeft het College in verband met de regulering van evengenoemde retailmarkt met betrekking tot de daarin aan de orde zijnde gedragsregel 5 overwogen dat de uitvoeringslasten zullen afnemen wanneer de downstreammarkt vooral een consumentenmarkt is en/of de geleverde producten of diensten met behulp van uitontwikkelde technologie en bestaande infrastructuur geleverd kunnen worden omdat de noodzaak om voor individuele gevallen bijzondere arrangementen te treffen geringer zal zijn. Aangenomen mag worden dat deze situatie zich bij uitstek voordoet bij vaste telefonie, al dan niet geleverd in een bundel. In dit verband wijst het College ook op randnummer 325 van het verweerschrift, waar ACM heeft betoogd dat de door KPN aan haar toegezonden opsomming van combinaties van diensten die zijn aan te merken als bundel waarop de ND-5 toets betrekking heeft, een vrij overzichtelijke lijst is. Hetgeen KPN in haar zienswijze hierover naar voren heeft gebracht, geeft het College geen aanleiding voor het oordeel dat de uitvoering van de ND-5 toets door ACM op een voor KPN minder belastende wijze had kunnen en moeten plaatsvinden en de definitie van bundel daarom zou moeten worden aangepast.
- alle potentiële (externe) afnemers unaniem akkoord zijn met een snellere introductie van de betreffende dienst en daarmee met een kortere aankondigingstermijn dan twee maanden; en
- het wijzigingen betreft in het referentieaanbod uit hoofde van regulering, zoals een handhavings- of aanwijzingsbesluit van ACM.
Beslissing
“KPN dient voor nieuwe of gewijzigde diensten een aankondigingstermijn van minimaal twee maanden in acht te nemen, voordat een dergelijke dienst wordt geïmplementeerd. In de volgende gevallen mag KPN een kortere aankondigingstermijn dan twee maanden hanteren, namelijk indien:
- alle potentiële (externe) afnemers unaniem akkoord zijn met een snellere introductie van de betreffende dienst en daarmee met een kortere aankondigingstermijn dan twee maanden; en
- het wijzigingen betreft in het referentieaanbod uit hoofde van regulering, zoals een handhavings- of aanwijzingsbesluit van het college.”;