ECLI:NL:RVS:2025:1981
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
Appellant, een Zuid-Afrikaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het oog op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als houder van de Europese blauwe kaart. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees deze aanvraag aanvankelijk af, maar verklaarde het bezwaar later gegrond en verleende alsnog de vergunning met terugwerkende kracht.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. Appellant stelde daarop hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, hoewel hij inmiddels de gewenste verblijfsvergunning met de juiste ingangsdatum had gekregen. De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde of appellant nog belang had bij het hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is omdat appellant met het besluit van 31 oktober 2023 het beoogde resultaat heeft bereikt en geen belang meer heeft bij een uitspraak. Ook het beroep tegen dat besluit is niet van rechtswege ontstaan. Verder is appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij zelf schade heeft geleden door het besluit. De Afdeling veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten vanwege de tegemoetkoming in het bezwaar.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.