ECLI:NL:RVS:2018:1611
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling belang bij hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier
De staatssecretaris wees op 25 januari 2017 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de afwijzing. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de vreemdeling reeds een andere verblijfsvergunning had ontvangen, waardoor zij geen belang zou hebben bij de beoordeling van het beroep.
De vreemdeling stelde dat de verleende vergunning onder de beperking 'arbeid in loondienst' een kortere geldigheidsduur en afhankelijkheid van een arbeidsovereenkomst kent, terwijl de gevraagde vergunning op humanitaire gronden een sterker en langer verblijfsrecht biedt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het procesbelang ontkende, aangezien het nieuwe verblijfsrecht gunstiger is en daarmee belang bij beoordeling bestaat.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelde zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van €501,00.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.