ECLI:NL:RVS:2024:1892
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Wissels
- D.A. Verburg
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Beoordeling zicht op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije in bewaring vreemdelingen
Deze uitspraak betreft hoger beroepen tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag over de bewaring van twee vreemdelingen met de Algerijnse nationaliteit. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde dat bewaring noodzakelijk was vanwege het ontbreken van medewerking aan terugkeer en risico op ontduiking van toezicht. De Afdeling toetste of het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbrak, zoals eerder geoordeeld in uitspraken van 2021 en 2022.
In zaak nr. 202306388/1/V3 stelde de staatssecretaris dat recente ontwikkelingen, zoals een nieuwe Algerijnse consul, afspraken over presentaties, een toegezegde laissez-passer en uitzetting van een vergelijkbare vreemdeling, het zicht op uitzetting hadden verbeterd. De Afdeling oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende concreet waren om te verwachten dat de vreemdeling binnen een redelijke termijn kon worden uitgezet. De rechtbank had terecht de bewaring onrechtmatig verklaard en het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard.
In zaak nr. 202307965/1/V3 stelde de vreemdeling dat het zicht op uitzetting ontbrak omdat zijn paspoort verlopen was en de staatssecretaris onvoldoende onderbouwing bood. De Afdeling oordeelde dat vanaf december 2023 voldoende concrete aanknopingspunten bestonden, waaronder meerdere afgegeven laissez-passers en uitzettingen, om te verwachten dat uitzetting binnen een redelijke termijn mogelijk was. De rechtbank had dit juist beoordeeld en het hoger beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard.
De Afdeling bevestigde de uitspraken van de rechtbank in beide zaken, veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten in de eerste zaak en wees proceskosten in de tweede zaak af.
Uitkomst: De bewaring is onrechtmatig voor de ene vreemdeling wegens ontbreken zicht op uitzetting, en rechtmatig voor de andere vreemdeling waar zicht op uitzetting wel bestaat.